In en om Assen





150 jaar Rooms Katholieke parochie in Assen(2)


Bronvermelding:
Een uitgave van het R.K. Parochiebestuur 'Maria ten Hemelopneming' te Assen, 1983. Samenstelling: J. Coppes, A.J.M. den Teuling, J. Wessels


Interieur kerk aan de Vaart


"... dat den Armen het Evangelie wordt verkondigd"

Een verhaal van dhr. A.J.M. den Teuling


De zondagmiddag worden voortdurend gestoord door in- en uitlopende jongeren

Zo uitvoerig als pastoor van Kessel schrijft over zijn pogingen om tot de bouw van zijn kerk te komen, zo mager zijn de gegevens over de katholieke gemeenschap zelf. Meer dan wat terloopse opmerkingen, wat statistisch materiaal over zielental en de doop- en huwelijksregisters is er niet te vinden over de 19e eeuw. Verder vooral gegevens over eigendommen en financiën, waarbij tussen de regels lezen evenzeer noodzakelijk is, wil men iets over de gemeenschap gewaar worden. Tenslotte: wat wij buiten de strikt objectieve statistieken hebben, is uitsluitend de zeer pessimistische visie van de pastoors.

Na de eerste dienst op 29 juni 1833, waarin een 15 a 16 mensen verschijnen, schrijft Van Kessel aan de katholieken in Beilen, Borger, Gieten en Zuidlaren, dat zij tot zijn gemeente behoren. Het resultaat is, dat op de volgende zondag, 7 juli, er 40 aanwezig zijn, en bovendien veel protestanten, daar de predikant elders was. De verhouding tot de protestanten, die zich nogal antikatholiek gedragen, komt in de correspondentie regelmatig aan de orde. De predikant, G. Benthem Reddingius, op 23 juli 1833 bij hem op bezoek, raadt hem aan "met hem van tijd tot tijd te verkeeren, om zoodoende dat vooroordeel te verzwakken". Vooral de bijeenkomsten op de zondagmiddag worden voortdurend gestoord door in- en uitlopende jongeren, die voor de deur lawaai maken, en enkele keren moet Van Kessel de dienst ook staken. Nieuwsgierigheid of onverdraagzaamheid is de oorzaak. Tot in de loop van 1834 houden de klachten aan, al is de "dienaar van policie", die door de burgemeester op wacht is gezet, van groot nut.

Zeer hinderlijk is een op 11 augustus 1833 aanwezige "piëtist", waarmee een protestant bedoeld is van de orthodoxe richting, die zich een jaar later zou afscheiden van de Nederlands hervormde kerk, en waaruit later de gereformeerde kerk zou ontstaan. Deze man controleert tijdens de preek opzichtig in zijn bijbel bladerend, of de pastoor deze wel juist aanhaalt. Op het feest van Maria Lichtmis, 2 februari 1834, wijdt de pastoor de kaarsen wel, maar deelt ze niet onder de gelovigen uit, "om spotternij te voorkomen". Ondanks de aanwezigheid van minstens zo veel, ook "aanzienlijke", protestanten als katholieken, is het bij die gelegenheid veel rustiger dan tevoren. Op 6 april 1834 klaagt Van Kessel, dat slechts 29 van de 60 parochianen aan hun paasplicht hebben voldaan

Op 14 augustus 1835 komt de hervormde predikant met een diaken vragen in te tekenen op een lijst van bijdragen voor de gezamenlijke aanschaf van een lijkkoets. De opbrengst van de huur zou voor de (hervormde) diakonie zijn. De pastoor oppert dat de opbrengst ook de katholieke armen ten goede zou moeten komen, als de katholieken meebetalen. Hier had de predikant niet aan gedacht, hij zal het met zijn committenten (de kerkeraad) overleggen. Wij horen er niets meer van. Er zijn op dat moment overigens geen katholieke armlastigen, Van Kessel vindt een armbestuur niet eens nodig; anderzijds zijn er ook geen grote bijdragen voor de bouw van de kerk te verwachten van de kleine middenstanders en arbeiders.

Protestanten en "heidenen"

In oktober 1835 wordt er onder de naam Broederschap van de H. Geest een organisatie opgericht die de missie in de beide Indiën zal ondersteunen. De bijdrage hiervoor is een halve stuiver per week, 14 parochianen worden lid. De opbrengst uit Assen bedraagt per jaar in 1838 fl. 13,—, in 1842 f 16,50, en in 1852/53 fl 7,50. Op jaarbasis is dit 10, 13 en 6 volledig betalende leden. Veel is het niet. Tevens wordt voorgeschreven, dat de eerste zondag van de maand een gebed wordt gelezen, dat zinsneden bevat als: "wees uwer barmhartigheid indachtig en vergetende hunne afgoderij, wederspannigheid en boosheid". Dit slaat dus op protestanten en "heidenen" gelijkelijk, en Van Kessel vraagt dan ook op 6 januari 1836, of hij in verband met het protestantse kerk bezoek niet liever de litanie van de H. Geest zal bidden, hetgeen hem wordt toegestaan. Overigens bevat de Heidelbergse catechismus over katholieken soortgelijke bewoordingen. Van Kessels behoedzaamheid is niet overdreven. Op 27 januari 1836 denkt hij dat zijn zuster, die bij hem inwoont, pokken onder de leden heeft (vaccinatie werd toen al op ruime schaal toegepast, maar nog niet algemeen genoeg). "De protestantsche verdraagzaamheid (...) legt het mij ten laste, dat ik alle pogingen aanwend om de pokken in Assen te verspreiden, dat ik tot dat einde zelfs kinderen van de straat inroep en hen lekkernijen met pokstof besmet laat eten."

Op 16 september 1836, vertelt Van Kessel ontroerd, wordt ervoor het eerst sinds 1794 in Drenthe weer het vormsel toegediend door wijbisschop Van Wijckersloot, aan 22 leden van de gemeente, die daartoe naar Veenhuizen gaan, waar al een kerk staat. In 1842 wordt voor het eerst het veertigurengebed gehouden. De gemeente neemt vooral sinds het gereedkomen van de kerk aan de Vaart N.Z. in september 1837, sterk toe. In 1847 koopt het kerkbestuur ten behoeve van de armen een stuk grond van 2 bunder op het Veeningerland, om er een "huisje uit planken en zoden", dus een plaggenhut, op te bouwen, als armenhuisvesting. Dit is goedkoper, dan ten behoeve van een dakloze de huur te betalen. In 1855 wordt dit "pand" weer verkocht, daar men verwacht, dat het binnen twee jaar zal instorten. Men bezit dan nog "eene behuizing, houten schuur cum annexis, is ingerigt tot zeven onderscheidene woningen (zeer bouwvallig.)".


Pastoor H.D. Brennikmeijer, 1868 - 1883

Broederschap van den Levenden Rozenkrans

In 1856 wordt het orgel verkocht, "daar het sedert jaren reddeloos is, en tegen de vochtigheid van de kerk niet bestand blijft, en in deze kleine gemeente aan geen organist te denken valt". De muren van de kerk zijn anderhalf of 2 steens, zonder spouw. Eind 1853 wordt de "Broederschap van den Levenden Rozenkrans" opgericht, een vereniging, waarvan het doel duidelijk mag zijn, georganiseerd in groepen van 15 leden, waarvan telkens een belast is met het ophalen van de contributie. Van 1854-1858 zijn er zes van deze groepen; of de aktiviteiten daarna verflauwden is niet duidelijk, men vermeldt pas in 1926 weer 9 a 10 vijftientallen. Er zijn meer van dergelijke broederschappen opgericht, maar of zij bij de parochianen aansloegen is niet duidelijk. Sommige hadden ook meer het karakter van een liefdadigheidsfonds of van een fundatie voor de zielerust van de overleden leden van de broederschap (Broederschap van de zalige dood, 1859).

De in 1868 optredende pastoor H.D. Brenninkmeijer vat de periode 1842-1869 als volgt samen: "eene gemeente die meer en meer toenam in zielental van allerlij gehalte, van menschen die het elders niet konden houden, (...) terwijl de kerk- en armmeesters hunne eigene zaken niet konden administreeren, zelve bankroet maakten en de kerk en de armen (= armbestuur) onder een groote schuldenlast gebukt gingen." Om de schulden te delgen voert men een kerkbelasting in, die de pastoor in een toespraak aankondigt als volgt: "1869-28 Februari, Toespraak tot de Gemeente na de H. Mis, over eene Hoofdelijke omslag.

Veelgeliefde Gemeentenaren, Daar is heden geen instructie noch predicatie, want ik moet u thans over finantieele zaken gaan onderhouden. Het is u allen bekend dat ik hier de zaken juist niet in een aangename toestand heb aangetroffen. Kerk en Pastory lieten veel te wenschen over en Gij gemeentenaren hadt buiten Assen en wat het moreele en het finantieele aangaat een slechten naam. Dat was de schuld niet van mijnen eerbiedwaardigen voorganger, de Hemel beware mij dat ik ooit een steen op dien heiligen mensch zou werpen. Hij vond hier door eene noodlottige samenloop van omstandigheden de finantieele toestand nog minder dan ik: ik meen een schuld van fl 2800,—. Die eerbiedwaardige man heeft gedaan wat hij kon, maar ziehier iets eigenaardigs van dien priester Gods: Hij had staag het oog op dat woord des heeren gevestigd: "Het is zaliger te geven dan te ontvangen". Hij had wel den moed om duizenden guldens uit zijne eigene middelen te geven, maar niet den moed om te bedelen. Hij gevoelde zelf zeer goed (zoo als uit tal van brieven blijkt) de haveloosheid waarin zich de pastory bevond en de bittere armoede die er aan 't Altaar Gods heerschte. Doch wat zou hij doen? Hijzelf kon niet meer geven, veelvuldige teleurstellingen maakten hem in de laatste tijden moedeloos en hem bleef niets anders over dan tot het besluit te komen, de herstelling en verbetering aan Zijnen opvolger over te laten."

Aan het einde dreigt hij in bedekte termen te vertrekken als pastoor, als hij geen medewerking krijgt. Enkele noten bij de tekst geven aan dat Brenninkmeijer met meesterhand de werkelijkheid heeft weten te verbloemen: "De Zeer Eerwaarde Heer G.J. van Hamelen, eindelijk inziende dat zijne overgroote mildadigheid vele boeven en luiaards in hun kwaad sterkte, wilde zelfs het armbestuur hier niet meer geven en gaf mij zelfs als kapelaan in Groningen een coupon, om die aan de armen aldaar uit te deelen; want de armen in Assen waren het niet waard! Alles heeft hij weggegeven en groot was de eerbied hier en in de omstreken voor 's mans menschlievendheid en geleerdheid, maar nog grooter zijne teleurstelling." Van Hamelen was pastoor van 1854-1868.

Van enkele armenbanken wordt door de meer welgestelden misbruik gemaakt

"De nabijheid van de strafcolonie, het moederhuis van vele Catholieken in Assen, is wel een der oorzaken" van de slechte toestand. In Veenhuizen gingen de kolonisten nog verplicht ter kerke, onder geleide van bewakers. "Toen de wet van het verplichte kerkgaan daar nog bestond, achtten zich velen van dien zondagsplicht ontslagen, wanneer zij zich hier of elders weder gingen vestigen, terwijl aan dronkenschap en ontucht eveneens den vrijen teugel werd gegeven." Later voegt hij nog toe: "Deze hoofdelijke omslag heeft het gewenschte gevolg gehad, althans in de eerste jaren. Wij raakten uit de schuld, kapitale verbeteringen kwamen tot stand en wij zouden gelden bijeengebracht hebben voor de vergrooting der kerk, maar de eerste ijver verflauwde", een van de rijkste parochianen weigerde te betalen, "het plaatsengeld bracht steeds meer op, de omslag was niet meer noodig en met goedvinding van den Aartsbisschop werd die geldinning weder afgeschaft. 9 juni 1876." De hogere opbrengst van het plaatsengeld is te danken aan de toenemende welvaart, en het krappe aantal zitplaatsen, nl. 150. De plaatsen worden verpacht aan de meestbiedende. Er zijn voor minvermogenden enkele armenbanken, waarvan door meer welgestelden misbruik wordt gemaakt.

In mei 1877 is de gehele schuld weer afgelost, en begint men te sparen voor uitbreiding van de kerk naar het westen en de bouw van een toren. Maar tot dan toe is het allemaal armoede. De aankleding van de kerk, zowel vaatwerk en beelden als gewaden komt van instellingen als de Vereeniging tot versiering van arme kerken te Rotterdam en Zwolle. De Franciscanessen in verschillende plaatsen leveren veel borduurwerk (vaandels, kazuifels), veelal in opdracht van derden, soms ook uit zichzelf. In 1869 wijdt de deken van Groningen plechtig een op karton uitgevoerde kruisweg in, die al in 1881 wordt vervangen door op doek geschilderde voorstellingen. De kerk was te vochtig voor karton. Ook met orgels (of liever harmoniums) blijft het om die reden sukkelen; men koopt een gemakkelijk verplaatsbaar model in 1879, om het van tijd tot tijd in de pastorie te kunnen laten opdrogen. In 1881 is dat alweer vervangen door een Amerikaans Standard Organ.

Geloofsijver blijkt uit het feit dat er uit de parochie in 1869 twee zouaven in het pauselijk leger te Rome zijn. De eerste vermelding van de devotie van het H. Hart van Jesus is op 16 juni 1871. Daarna worden herhaaldelijk nieuwe H. Hartbeelden aangeschaft, o.a. in 1880 een exemplaar uit het atelier van Cuypers en Stolzenburg te Roermond voor het toen kapitale bedrag van f 130,—. Van 23 december 1871 - 1 januari 1872 geven twee paters Redemptoristen een zgn. Missie, een week waarin dagelijks meermalen wordt gepreekt en gebedsdiensten worden gehouden. "Met grooten ijver en oplettendheid werden hunne predicatiën door katholiek en onkatholiek, rijk en arm, aangehoord en brachten eene groote ontroering te weeg. Omstreeks 310 naderden tot de Tafel des Heeren, nadat zij met de uiterste zorg door de ijverige priesters waren voorbereid, waaronder velen, die jaren lang hunne plichten hadden verzuimd (...) (zij hebben) aan gansch Assen het bewijs gegeven dat in de Katholieke Kerk den Armen het Evangelie wordt verkondigd."


Foto d.d. 01-05-1933 toont de rooms-katholieke kerk uit 1837 aan de Vaart N.Z. 122 te Assen. Rechts de pastorie aan de Vaart N.Z. 120 en op de voorgrond de Drentse Hoofdvaart. (collectie: monumentenzorg)


Zij leven immers "in zonde"

De wijze van financiering van de missie geeft de parochie problemen. Men moet een fonds storten bij de provinciaal (de landelijk overste) van de redemptoristen, en uit de rente worden eens per acht jaar de onkosten van de paters betaald. Nadat in 1892 een overleden redemptorist deze fundatie bij testament heeft laten storten, komen deze paters inderdaad regelmatig. De missie zal later veelal gevolgd worden door het jaarlijkse 40-uren-gebed. Tot 1934 hadden zij een goede opkomst, maar na de tweede wereldoorlog is deze wijze van geloofsbeleving in onbruik geraakt. Maar in januari-februari 1881 leiden de aktiviteiten van de paters nog tot een opkomst van 331 biechtelingen, waaronder "openbaar bekende zondaren, die in jaren geen paschen hadden gehouden." Ook nu weer een toevloed van vele protestanten van de orthodoxe richting. Een gift van f 300,— geeft aanleiding tot een buitengewone bedeling door het armbestuur, dat de armen verzamelt en aanspoort de Missie bij te wonen. "Het epidemisch heerschen der Mazelen, het sterven van vele kleinen was evenwel een beletsel voor het getrouw bijwonen. Het getal der toen bedeelde huisgezinnen was zes en dertig!"

Wij zagen al, dat het pastoor Brenninkmeijer lukte om zowel de schulden af te lossen als een fonds voor uitbreiding van de kerk te vormen. De economische toestand van die tijd heeft hem daarbij meegezeten, en bovendien het feit, dat Assen eindelijk een — zij het weinig omvangrijke — katholieke middenstand heeft, waaruit behoorlijke kerkmeesters zijn te rekruteren. Van de namen in de lidmatenlijst uit 1842 komt er thans niet één meer voor in de katholieke gemeenschap van Assen. De pastoor vertelt in een lange brief aan de aartsbisschip op 5 juli 1874 o.a. dat hij twee jeugdige flinke kerkmeesters aangesteld wil zien, en stelt o.a. één van de kerkbelastingweigeraars voor, zij het met tegenzin, en uitsluitend vanwege zijn capaciteiten. Hij heeft weinig keus. Ook ambtenaren worden regelmatig tot kerkmeester benoemd, maar dezen blijven niet lang. Bekende namen als Jansen (in Assen sinds 1855, in het kerkbestuur vanaf 1864), Gerritsma (sinds 1891) en Göbel (sinds 1891) treft men sindsdien als kerkmeesters aan. Sinds 1873 heeft de pastoor ook regelmatig een assistent. De samenstelling van de katholieke bevolking is overigens altijd aan sterke verandering onderhevig geweest, en ook een getalsmatige toename en afname terwijl de bevolking als geheel geleidelijk toenam.

De oorzaken hiervan zijn: het ontbreken van honkvaste landbouwers, de betrekkelijk kleine kern van wel honkvaste, maar zich slechts geleidelijk vestigende middenstand, het feit, dat voor ambitieuze ambtenaren Drenthe en Assen geen eindpunt van de carrière is — juist in 1874 zijn er twee vertrokken, wat een aantasting van het inkomen van de kerk betekent — het feit, dat Duitsers — de term "bovenlanders" wordt dan in echt discriminerende zin gebruikt —, "met vollen buidel weder over de grenzen gaan" en tenslotte, dat in een kleine geloofsgsmeenschap een groot deel van de aanwas verloren gaat aan huwelijken met niet-katholieken ("gemengde huwelijken"). Ook hier spreekt de statistiek voor zichzelf. In 1868 zijn er 2 gemengde huwelijken, waarbij dispensatie is verleend en het huwelijk kerkelijk is ingezegend, en ± 30 zijn er die niet-kerkelijk gesloten, dus in kerkelijke zin onwettig zijn. Het merendeel van de kinderen uit deze huwelijken wordt wel katholiek gedoopt, maar het is zeer te betwijfelen of kinderen, wier ouders de sacramenten worden geweigerd — zij leven immers "in zonde" — ook katholiek worden opgevoed. Het is duidelijk dat hier een voorname oorzaak van wegvloeien van parochianen is te vinden.

Het katholiek armbestuur als een verzuilde sociale dienst

In 1872 wordt de kerk van gaslicht voorzien. Nu de uitbreiding van de kerk. Deze wordt de parochie in een preek begin augustus 1878 meegedeeld. Het werk bestaat uit een verlenging van de kerk naar het westen met 9 meter en de bouw van een toren ervoor van 28 meter hoogte. Van het Rijk wordt f 2000,— losgepeuterd, en o.a. via een oproep in De Tijd, komt nog eens ruim / 2500,— binnen. Veel giften komen ook in natura, o.a. nieuwe en gebruikte beelden van de H. Joseph en Maria, waarvoor de 18e eeuwse houten beelden, die de kerk al in 1856 in bezit had, moeten wijken (deze zijn bij de bouw van de nieuwe kerk in 1934 door de fa. Götz opgeknapt en opnieuw geplaatst), het al genoemde H. Hartbeeld, kruiswegstaties (kosten f 550,—, opgebracht door de parochianen in Vries), een kaarsenkroon, afkomstig uit de Hervormde kerk van Beilen. Voorts nieuwe kerkgewaden. De uitbreiding is ontworpen door een medewerker van de aartsbisschoppelijke architekt Tepe, nl. C. van Schaick.

Toen de aanbesteding f 1800,— hoger dreigde uit te vallen, dan Van Schaick had berekend, nam deze het werk voor eigen risico op zich voor f 6121,50. De kerk kwam in augustus 1880 klaar en de toren in december. Er werd een klok van Ten Berge, Heiligerlee, in gehangen van 470 kg, genaamd Willehad, met ophangconstructie, in totaal f 752,30. Bij de feestelijke inwijding verzucht de pastoor echter: "Het moet niet volmaakt zijn op deze wereld; het gezang en het orgelspel was allerdroevigst." In 1882 wordt de kerk gepolychromeerd (in neo-gotische stijl bont beschilderd). Toen de uitbreiding klaar was, bleek dat de kerk niettemin geen schulden meer had. Dank zij een hoogst noodzakelijke verbouwing van de pastorie in 1884 voor f 1800, — , was deze vreugde echter maar van korte duur. Het armbestuur valt in 1882 een enorm legaat ten deel. De erflater is een zekere A. van Valckensteijn, slechts burgerlijk gehuwd met Gravin Louise d'Aubrie d'Arancey, die in 1871 was overleden, en ook al fl 1000,— had nagelaten. Beiden waren katholiek maar zonder de toediening van de H. Sacramenten gestorven. De nalatenschap wordt, voor zover deze in geldswaarde is om te zetten, gelijkelijk over de drie armbesturen (katholiek, hervormd en joods) verdeeld, maar het huis Vredeveld met landerijen, toen ter waarde van fl 15.000,— (in 1967 aan de gemeente Assen verkocht) komt aan het katholiek armbestuur, dat als een verzuilde sociale dienst is te beschouwen.

De meer humanitaire vorm van armenzorg wordt vervuld door een St. Elisabethvereeniging, opgericht in 1880. De vrouwelijke leden bezoeken zieken en hulpbehoevenden. Medicinale hulp wordt niet gegeven en besmettelijk zieken niet bezocht. Volgens de statuten ligt de nadruk op hulp in voedsel, maar later blijken de leden zich vooral met vervaardigen en verstellen van kleding bezig te houden. Daar de contributie f 0,25 per maand bedraagt, staat het lidmaatschap slechts aan een beperkte kring open. De aartsbisschop weigert de goedkeuring voor de oprichting van de mannelijke tegenhanger van deze vereniging, een St. Vincentiusvereniging. Tussen 1889 en 1895 heeft het kerkbestuur achtereenvolgens verschillende woningen gehuurd te Smilde, waar een pater Redemptorist op zondag wekelijks de mis leest. Een doopvont met toebehoren is in 1888 "vanuit de parochie" geschonken. In 1894 is het nog steeds bestaande kerkhof (bij de Van Heuven Goedhartlaan) ingezegend. In 1899 wordt een oud pijporgel geplaatst door M. van Maarschalkerweerd te Utrecht, ter vervanging van het in 1881 geplaatste orgel. Het orgel was in 1940 niet meer te repareren en is in 1942 vervangen. Ook uit het vervolg blijkt, dat de parochie als zodanig uit de armoede is geraakt, en dat betere tijden zijn aangebroken.


Foto genomen in 1923 toont De katholieke kerk aan de Vaart N.Z. 122 te Assen met in het midden de pastorie. (collectie gemeente Assen)


Van Roomsche zuil tot oecumene, 1900-1967

In 1910 besluit men een katholieke kleuter- en lagere school op te richten. In 1911 en 1914 wordt grond bij Alteveerstraat en Schoolstraat aangekocht. In 1914 is er een bedrag van fl 40.000,— bij elkaar gebracht, waarvan fl 30.000,— door een verloting. Op 1 mei 1914 wordt de bouw aanbesteed en op 27 april 1915 wordt de school, met de H. Willehadus als patroon, ingewijd. De inwijding wordt, zoals alle officiële feestelijkheden in die tijd, gevierd met een feestavond in het Concerthuis (sinds 1968 is dat De Kolk). Er worden steeds stichtelijke toneelstukken bij opgevoerd. De school heeft een aantal jaren ook een ULO omvat. Al in het begin heeft men zich afgevraagd of ook niet-katholieke kinderen zouden worden toegelaten. Op advies van de deken deed men dit "niet op de bewaarschool, en ook niet op de leerschool, ten einde alles roomsch te houden". De school telt 96 leerlingen. De 8 katholieke families, die hun kinderen elders naar school sturen worden, met eventuele reden ("gemengd huwelijk") opgesomd. De aartsbisschop, die in 1917 de school bezoekt, wordt toegezongen met het lied "Roomsche Blijdschap". In 1957 worden de schoolgebouwen in de Prinses Irenestraat ingezegend. Bij het 50-jarig bestaan in 1965 telt de school 220 leerlingen en 7 onderwijzers. Over het bezoek aan ouderavonden vindt men vanaf het eerste begin constant vermeld, dat het maar zeer matig is.

De aanwezigheid van de in die tijd gebruikelijke katholieke verenigingen en van R.K. militairen leidt tot de stichting van een verenigingsgebouw St. Paulus in 1921. Het heeft gestaan op de plaats van het huidige parochiehuis St. Martinus, dat in 1935 is gebouwd, en t.m 1955 tevens R.K. Militair tehuis is geweest. De Vereeniging Commissie van beheer R.K. Militair tehuis St. Victor bestond sinds ± 1916, en heeft vóór 1921 en vanaf 1956 elders ruimte gehuurd. De verenigingen, waarvoor ruimte nodig was, worden in 1924 opgegeven aan de Aartsbisschop, met het jaar waarin de koninklijke goedkeuring is verleend. Het zijn: de R.C. Middenstandsvereeniging de Hanse (1913), de R.C. Werkliedenvereeniging St. Joseph (1916), de R.C. Vrouwenbond (1921), met als onderafdelingen de al eerder vermelde St. Elisabethvereniging en het R.C. Meisjespatronaat St. Willehadus; tenslotte het R.C. Jongenspatronaat. Het gebouw wordt ook aan niet-katholieke organisaties verhuurd, maar de exploitatie draait toch om de katholieke organisaties. Niet vermeld zijn de al in 1853 opgerichte Broederschap van de levende Rozenkrans, die in 1926 bijna 150 leden telde, en de in 1924 opgerichte Altaarwacht. De enige 10-tallen leden hiervan verplichtten zich, minstens eenmaal per week op een doordeweekse dag de mis bij te wonen. Het ledenregister is van 1924-1937 bijgehouden.

Rond 1924 moet ook het parochiële St. Radboudcomité zijn opgericht, dat tot doel had de R.K. Universiteit te Nijmegen te steunen. Het bestond nog in 1958. Vanaf 1926 vernemen wij regelmatig over missietentoonstellingen en films. In dat jaar draaide men een film over China in Apollo. Ook voor de pauselijke missieorganisaties zet men zich in. Deze en dergelijke aktiviteiten zetten zich voort tot in de jaren vijftig. Na de tweede wereldoorlog verschuift het accent wat, o.a. naar de Oostpriesterhulp, een organisatie, die met kapelwagens de gelovigen in het communistische Oost-Europa tracht te bereiken. In 1926 vindt de eerste bedevaart naar Dokkum plaats, 30 "mannen en jongelingen" gaan per fiets, na om 3 uur 's morgens te communie te zijn gegaan. In het zelfde jaar gaat men nog eens, maar dan toch maar per autobus. Ook aan de stille omgang in Amsterdam moet men vanaf dit jaar regelmatig hebben deelgenomen, want van beide bedevaarten wordt in 1956 vermeld dat het de 26e resp. de 25e keer is. In de 50er jaren gaat men ook op bedevaart naar Den Bosch, Kevelaer en Tegelen en zowaar richt men een R.K. Reisclub op. Vanaf de twintiger jaren begint men bewust de "andersdenkenden" te bereiken. "Behoedzame propaganda door de verspreiding van goede lectuur dringt door den dam van vooroordeelen, waarmede vooral de in merg en been verprotestantiseerde Drenth is behept.

Het aantal bekeeringen van 1918-1925 bedroeg 80." In 1934 houdt men de eerste conferentie voor niet-katholieken, voorlichtingsbijeenkomsten zonder uitgesproken propagandistisch doel. Er zijn 200 aanwezigen. Pater Titus Brandsma trekt met een aantal conferenties in 1939 60 katholieken en 40 niet-katholieken. Overigens viert het Rijke Roomse leven van de dertiger jaren ook in Assen hoogtij, met optochten van jeugdorganisaties in 1932 bij een bezoek van de aartsbisschop en installatie van K.J.V.-ers [= Katholieke Jongelingen Vereniging (?)], samen met de K.J.M. (Katholieke Jonge Meisjes) de voortzetting van het patronaatswerk. De opzet en de praktijk van deze jeugdorganisaties heb ik niet kunnen nagaan, wegens de korte tijd die voor dit artikel beschikbaar was. Ook de verkennerij wordt in deze periode voor het eerst genoemd, maar de oprichtingsdata heb ik niet gevonden. In de oorlogsjaren zijn zij alle verboden, en van de jeugdorganisaties zijn alleen de verkennerij en aanverwante verenigingen weer tot leven gekomen. Katholieke sportverenigingen heb ik nergens vermeld gezien. In 1934 wordt de conferentie van de H. Vincentius a Paulo opgericht, die zich meer op een sociale vorm van armenzorg richt, dan het officiële R.K. armbestuur. De leden gingen o.a. op huisbezoek. De conferentie heeft zeker tot in 1955 bestaan.


De roomskatholieke kerk aan de Vaart werd in 1934 vervangen door de kerk van Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming aan de Nassaulaan. Het ontwerp was afkomstig van de Apeldoornse architect J. van Dongen jr. in samenwerking met de Asser architect J.F.A. Göbel. De zaalkerk is architectonisch verwant aan het traditionalisme van de Delftse School. Dat is te zien aan het gebruik van schoon metselwerk, steunberen en duidelijke kapvormen.

De kerk aan de Nassaulaan

Eén van de hoogtepunten van de dertiger jaren van katholiek Assen was uiteraard de bouw van de kerk aan de Nassaulaan in 1934, op grond die men in 1919 had aangekocht. Ook hierbij had de verzuiling toegeslagen. Noch in 1837, noch in 1880 waren bij de aanbesteding bepalingen opgenomen, die niet-katholieke aannemers moesten uitsluiten. In het oorspronkelijke bestek voor het kerkgebouw in 1933 kwamen deze ook niet voor — men wilde uiteraard zoveel mogelijk van de concurrentie profiteren — maar in opdracht van de aartsbisschop worden deze alsnog in het bestek opgenomen: alleen katholieke aannemers en onderaannemers. Uiteindelijk heeft men voor het schilderwerk dispensatie gekregen: hiervoor is blijkbaar geen katholiek beschikbaar. De bouw is aanbesteed op 22 augustus 1933. Architekt is J. van Dongen te Apeldoorn en opzichter-architekt J. Göbel. De aannemer is de fa. Siemerink en Reehuis te Wierden, voor f 46.460,—. De bijkomende kosten bedragen ongeveer f 15.000,—. Op 3 juli 1934 is de kerk geconsacreerd. De afbraak van de oude kerk, in 1935, bracht fl 1.100,— op. In 1937 zijn de mozaiekkruiswegstaties geplaatst, vervaardigd door Joannes Collette te Nijmegen. De ramen, ontworpen door J. ten Horn en H. v.d. Burgt te Kampen zijn in 1939-1940 geplaatst. Het huidige parochiehuis is in 1935, eveneens door J. van Dongen, gebouwd.

Een belangrijke verrijking van het parochieleven bracht in 1938 de komst van zes zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort. Over hun komst was sinds 1919 gecorrespondeerd. Zij hebben zich vooral met de verzorging van zieken en hulpbehoevenden beziggehouden, en met het kleuteronderwijs. Van de oorlogsjaren is in het parochiearchief nauwelijks iets te merken. De pastorie was van 14 november 1944 tot 13 april 1945 door Duitsers gevorderd, en het zusterklooster aan de Markt vanaf 26 september 1944. Na de bevrijding is het onder andere nog door Canadezen gebruikt en door de Grenswacht van het Militair Gezag, die het er zeer naar de zin had. Pas in november 1946 is het klooster weer vrijgegeven. Belangrijke veranderingen ontstaan als gevolg van de toevloed van nieuwe mensen uit alle delen van het land, die zich vanaf 1946 in Assen vestigen. De echte Asser families maken daar tegenover getalsmatig slechts een minderheid uit. De katholieke bevolking van Assen vertoonde altijd al een sterk vlottende samenstelling, (zie boven), maar in de naoorlogse jaren is deze ontwikkeling alleen nog maar verhevigd.

De statistieken zijn niet compleet en ook niet helemaal betrouwbaar, maar toch het vermelden waard Het percentage gemengde huwelijken, waarbij de kinderen niet worden gedoopt, stijgt na 1930 opmerkelijk. De bevolkingsaanwas van na de oorlog is evident, men vergelijke de cijfers met de eerder vermelde statistieken. Over de jaren 1946-1954 zijn de statistieken het nauwkeurigst. Al vanaf 1950 worden ook buiten Assen regelmatig kerkdiensten gehouden. De Carmelieten, die sinds 1905 in Hoogeveen gevestigd waren, assisteerden ook voor 1950 de geestelijkheid overal in Drenthe. Vanaf 1950 bedienen zij wekelijks de statie Beilen, aanvankelijk in een zaaltje in Hotel Prakken, maar in 1957 wordt de voormalige gereformeerde kerk aangekocht, die in 1959 wordt ingewijd. In 1963 wordt de statie als vicarie aan de Franciscanen overgedragen. In Rolde houden de Carmelieten uit Emmen vanaf Pasen 1959 kerkdiensten, eerst in een woonhuis, later in de achterzaal van het Hof van Rolde, die gratis beschikbaar wordt gesteld.


Foto genomen tussen 1930 en 1950 en toont de Rooms Katholieke kerk met Pastorie aan de Dr. Nassaulaan te Assen. (collectie Drents Archief)


De kaarsenkroon is ten onrechte aan Rolde geschonken

Vanaf 1965 wordt de kapel van het jongensinternaat Mariëncamp gebruikt, en hoewel er in 1966 nog grond voor een kerk in Rolde is aangekocht, is men niet tot de stichting van een kerkgebouw overgegaan. Op 11 oktober 1964 wordt de statie Gieten opgericht; men gebruikt een tijd lang een zaaltje in het Nutsgebouw in de Asserstraat, later het Nederlands Hervormd Verenigingsgebouw. Na de oorlog ontstaat er een duidelijker scheiding tussen aktiviteiten, gericht op de geloofsbeleving, en de gezelligheid. De oude parochieraad, die ik voor het eerst vermeld vond in 1952, had meer het karakter van overkoepeling van alle katholieke organisaties in de parochie. De gezelligheid probeert men nog steeds nadrukkelijk binnen de eigen katholieke kring te houden. Zo viert men in 1951 voor het eerst carnaval. Als er een feestavond is met een opvoering door de R.K. toneelvereniging met "bal na", dan is deze alleen voor parochianen toegankelijk. Als er op de aankondiging "geen dansen na" staat, mag men ook buren an kennissen meenemen. Zeer regelmatig organiseert men dansavonden voor R.K. militairen en R.K. meisjes.

Al voor de oorlog, met de conferenties van Titus Brandsma, vinden wij een stroming, die probeert het geloofsleven te intensiveren door de geloofskennis op hoger peil te brengen. Wij treffen in 1943 een groep van de Katholieke Actie aan, die een Gezinsweek organiseert. Onder leiding van enkele paters Franciscanen voert men in mei 1944 de volkszang in. Bijeenkomsten voor diverse groepen zijn er sindsdien duidelijk op gericht de mensen meer bij de kerk te betrekken, en het geloof meer bewust te doen beleven. Vooral groepen jongeren probeert men te bereiken met vormingscursussen e.d. Op 11 februari 1959 wordt in de avondmis van aswoensdag voor het eerst de mis gelezen met het gezicht naar het volk. Als de kerk in hetzelfde jaar 25 jaar bestaat, organiseert men onder leiding van een pater Capucijn, die tevens de hoofdrol vervult, een soort experimenteel passiespel vol symboliek, waaraan 100 parochianen deelnemen. Of dit een succes was verhaalt het archief niet. Misschien weten sommige parochianen het nog.

Het voorlopige eindpunt van deze ontwikkeling van bewustmaking is de totstandkoming van een parochieraad-nieuwe-stijl in 1963. Deze houdt zich actief met godsdienstige zaken bezig, en ook met de contacten met protestanten, o.a. in de in 1967 opgerichte Asser Werkgemeenschap van Kerken. Op voorstel van de directeur van het provinciaal museum schenkt het kerkbestuur in 1965 een kaarsenkroon aan de hervormde gemeente van Rolde, bij gelegenheid van de voltooiing van de restauratie van de kerk. De directeur van het museum meende, dat de kroon oorspronkelijk uit die kerk afkomstig was op grond van een vermelding in de voorlopige monumentenlijst van 1909, die echter zeker onjuist is. De kaarsenkroon is ofwel nog door pastoor Van Kessel aangeworven uit de Groninger statie ter Aa (hij klaagt erover, dat de pastoor aldaar hem een grotere had toegezegd, en dit exemplaar is veel kleiner dan de andere twee, die de parochie in bezit had), ofwel, waarschijnlijker, dit exemplaar is de kroon, die in 1881 ten geschenke is ontvangen en uit de hervormde kerk van Beilen afkomstig is. Het gebaar is er niet minder vriendelijk om. Later, vanaf 1968 wordt de Rolder kerk gezamenlijk door protestanten en katholieken gebruikt. Een gezamenlijke lijkkoets heeft men echter nooit aangeschaft






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl