In en om Assen





Hoe het allemaal begon


Bronvermelding:
'Waar men den kranke, zoo 't kan, geneest ...' Jubileumboek 75 - jarige geschiedenis van het Wilhelmina ziekenhuis in Assen, 1985. Teksten Bertus Boivin en Chris van der Veen.



De eerste steen


De eerste bladzijden van het in grijs-linnen gebonden notulenboek van het Wilhehnina Ziekenhuis zijn volgeschreven met het schuine kriebelschrift van secretaris A. Dozv. Al die verslagen samen geven een verrassend "kijkje in de keuken" van het Assen vlak na de eeuwwisseling. Een snelgroeiend stadje met zo'n 12.000 inwoners waar de "Heren" het nog voor het zeggen hadden en waar de "paleizen" nog woonhuizen waren.

In Assen waren ze trots op hun nog zo korte geschiedenis. In 1907 zou het honderd jaar geleden zijn dat Assen een zelfstandige gemeente - los van Rolde - werd. Uit de vooraanstaande burgers van de stad werd een commissie samengesteld die dit "Eeuwfeest" moest voorbereiden. Op woensdagavond 7 november 1906 's avonds om acht uur in het Asser Concerthuis besloot deze commissie met algemene stemmen om als blijvend aandenken aan het Eeuwfeest in Assen een ziekenhuis te stichten:

"Een ziekenhuis te Assen zal voldoen aan een reeds lang gekoesterd verlangen om in de plaats onzer inwoning zelve eene inrichting te hebben tot het verplegen van zieken en tot het verrichten van heelkundige operatiën, al zal die inrichting aanvankelijk op bescheiden schaal moeten worden ingericht. Men zal dan niet zoo als thans verplicht zijn de patiënten naar Groningen te vervoeren."

De honderdste verjaardag van de gemeente Assen zou dus gevierd worden met een ziekenhuis als het aan de Eeuwfeest-commissie lag. Eerst werd de Asser gemeenteraad gepolsd. Op 28 december 1906 werd er door de raad over vergaderd. Over de jaarlijkse subsidie van f 1500- was iedereen het snel eens, maar over de exploitatievorm van het ziekenhuis bestonden meningsverschillen. Het zou een particuliere instelling moeten worden, geen gemeenteziekenhuis. Een vereniging zou mogen rekenen op contributies van leden en allerlei milde gaven uit de burgerij. Wie zou dat met een gemeenteziekenhuis doen?

Een paar raadsleden waren geschrokken van de belofte van Burgemeester en Wethouders de exploitatie op zich te nemen als het particulier initiatief niet van de grond kwam. Een raadslid zei somber: "Zij, die zullen trachten eene vereeniging in het leven te roepen, zullen daardoor weinig succes van hun streven zien." De meerderheid van de Asser raad was het niet met hem eens. De Eeuwfeestcommissie kon aan de slag met de zekerheid van een gemeentelijke subsidie en de wetenschap dat mocht de vereniging niet lukken de gemeente de exploitatie op zich zou nemen.

De inzamelingsaktie onder de Assenaren was snel op gang gekomen. In de loop van januari 1907 beschikte de commissie al over ruim ƒ 15.000,- Ze gaven drie geneeskundigen opdracht in Assen te zoeken naar een geschikte plaats voor het ziekenhuis. Die werd gevonden aan het Oosterhoutje. Assenaren kenden het stuk land als "De Heethaar". Volgens de drie deskundigen was dat een "rustig, hooggelegen plekje uit hvgienisch oogpunt uitstekend geschikt geacht vooreen te stichten ziekenhuis". Op 21 januari 1907 kocht de commissie "De Heethaar" voor ƒ 3700 - van E. A. Smidt uit Den Haag.

De akties gingen door. Er werden prentbriefkaarten verkocht voor vijf cent per stuk. Er kwamen sluitzegels ten bate van het ziekenhuis en een gedicht van mevrouw CoobVos. De architecten J. Smallenbroek enj. A Wijn tekenden een prachtig wit ziekenhuisje. De Assenaren maakten zich ondertussen op voor het Eeuwfeest.


"Er werden prentbriefkaarten verkocht voor vijf cent per stuk"


Een plaats reserveren was niet mogelijk

Als je de kranten van die maanden doorbladert, merkje wat voor een geweldige gebeurtenis het Eeuwfeest in het stadje geweest is. Bijna iedere pagina heeft wel iets nieuws te vertellen over de feesten, de wedstrijden, de feestverlichting en de erebogen. Het hoogtepunt van de festiviteiten kwam in de eerste week van juli met het bezoek van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Op vrijdagmorgen 5 juli 1907 reden de rijtuigen met het koninklijke bezoek naar het Oosterhoutje waar de Koningin de eerste steen van het ziekenhuis zou leggen. Dit alles onder het toeziend oog van een paar honderd Assenaren. Op 16 juni had de Eeuwfeestcommissie namelijk in de krant laten zetten:

"De plechtigheid der eerste steenlegging is in 't openbaar met vrijen toegang. Verschillende personen zijn uitgenoodigd, autoriteiten en anderen, die tot het feest in nauwe betrekking staan. Het is natuurlijk niet mogelijk alle inteekenaren een gereserveerde plaats te geven, hoe gaarne de commissie dit ook zoude hebben gedaan, terwijl splitsing tot de bijgedragen sommen ook minder wenschelijk scheen. Om het bezwaar enigszins tegemoet te komen besloot de commissie een 250 a 300 gereserveerde plaatsen beschikbaar te stellen a ƒ 1,-." Met de hoge bomen van het landgoed "Overcingel" op de achtergrond liep de Koningin naar de open tent middenop "De Heethaar" om er de eerste steen te leggen. In een toespraak, zei ze o.a.:

"Het feit dat aan deze viering o.a. de gedachte verbonden is der kranke menschheid verzachting voor haar lijden te schenken, geeft aan deze feesten een bijzondere wijding. Ik geef dan ook volgaarne gevolg aan de uitnodiging om den eersten steen voor dit ziekenhuis te leggen en betuig met genoegen Mijne instemming met uw plan dit gesticht naar Mij te noemen." Het leggen van de eerste steen werd door de journalist bijna van centimeter tot centimeter gevolgd:

"Hierna werd aan H.M. de Koningin op een blauwfluwelen kussen de zilveren troffel aangeboden door freule C. van Holthe tot Echten, waarna de Koningin uit een mahoniehouten kalkbakje, door het commissielid, den heer T. Boonstra, aangeboden, de kalk nam en op het fundament spreidde. Daarop werd de steen hangende aan een katrol, langzaam neergelaten, welke neerlating geschiedde door het commissielid, den heerj. Smallenbroek, terwijl het commissielid de heer T. Boonstra verder zorgde dat de steen ter juister plaatse zakte. Toen de steen was geplaatst, werd aan H.M. de Koningin een hamer aangeboden, waarmede zij een drietal slagen op den steen gaf."

En het kinderkoor zong: "Waar ziekte, pijn en nooden Haar Volk met lijden slaan, Daar parelt in Haar oogen van meegevoel een traan! De hoeksteen dezer stichting zij 't Nageslacht ten tolk: Hoe Neerlands Koninginne vereend leeft met Haar Volk!"


De eerste steenlegging op 5 juli 1907.

Een inwonend echtpaar voor het huishoudelijke werk.

Na de eerste steen werd het een tijdje stil rond het Wilhelmina Ziekenhuis. Weten we alles van die eerste steen, van al die duizenden stenen die in de maanden daarop gelegd werden, kennen we alleen de kille cijfers die de Eeuwfeestcommissie later in een verantwoording gaf. Aan de aannemer werd ƒ 15.662 - betaald. De stucadoor kreeg ƒ 2237 - en de schilder ƒ 1069. In de loop van 1909 kwam de bouw van het Wilhelmina Ziekenhuis gereed. In totaal had de commissie toen ƒ26.224,17 uitgegeven. Er moest een nieuwe inzamelingsaktie gehouden worden om het benodigde interieur aan te kunnen schaffen. De begroting daarvan is voor mensen die het moderne ziekenhuiswezen gewend zijn, vertederend:

Aan 18 bedden in de ziekenzalen ƒ 1700
Inrichting operatiekamer ƒ1200
Baden ƒ 400
Gordijnen en Tapijten ƒ 300
Meubilair ƒ 500
Linnenkast ƒ 1500
Keukengerij ƒ 500
Lampen ƒ 300
Diversen ƒ 1000
Totaal ƒ7400"

Ook dit geld werd opgebracht. Er werden advertenties geplaatst om personeel te werven. Een directrice-hoofdverpleegster werd benoemd en later drie "pleegzusters" en een inwonend echtpaar voor het huishoudelijke werk. Het Wilhelmina Ziekenhuis was klaar. De Eeuwfeestcommissie had zijn werk gedaan. Op 11 oktober 1909 werd er voor het laatst vergaderd in het Concerthuis. Die avond werd besloten om de leden van de Eeuwfeestcommissie die zich speciaal met het ziekenhuis hadden beziggehouden, als bestuur van de "Vereeniging Wilhelmina-Ziekenhuis te Assen" te benoemen. De secretaris noteerde in zijn notulenboek: "Ook wordt voorgesteld dat het gekozen bestuur over een jaar zal aftreden. Dit wordt echter bestreden, 't Zou alsdan een ondankbare taak zijn eerst al het groote werk te doen en daarna anderen aan het roer. Wordt besloten met inachtneming van de statuten het nieuwe bestuur als "vast" te benoemen."

De vraag waarom de Eeuwfeestcommissie indertijd besloot een ziekenhuis op te richten is gemakkelijker te stellen dan te beantwoorden. In die tijd zie je trouwens in heel veel plaatsen in Nederland dit soort particuliere ziekenhuizen ontstaan. Eeuwenlang waren de "Gasthuizen" de instellingen geweest waar de sociaal minder bedeelden als ze ziek werden, hun heil moesten zoeken. In de meeste gevallen stierven ze er. De rijken lieten zich thuis verplegen. Ook zij stierven dan meestal, maar in ieder geval niet temidden van de deprimerende ellende van het Gasthuis. Tegen het eind van de vorige eeuw waren de medische wetenschap en techniek zo ver ontwikkeld dat het ook voor de meer vermogende burgers aantrekkelijk werd om je in een ziekenhuis te laten opnemen. Voor het eerst kon je naar een ziekenhuis gaan in de wetenschap dat daar de mogelijkheden aanwezig waren om je weer beter te maken.

Er kwam dus rond de eeuwwisseling een nieuwe vraag naar verpleegmogelijkheden. Daarnaast speelden allerlei andere overwegingen een rol. Wat te denken bijvoorbeeld van deze oproep om het Wilhelmina Ziekenhuis financieel te ondersteunen: "Als we bedenken dat de met 1 mei 1909 ingevoerde arbeidswetgeving ons verplicht onze dienstboden ingeval van ziekte gedurende zes weken te verplegen of te doen verzorgen en elke gelegenheid daartoe hier ter steede ten eenenmale ontbreekt."


De rijtuigen van de koninklijke gasten bij 'De Heethaar'. Let op het keurige gezelschap op het dak van het schuurtje.

Het was een zware baan met nauwelijks vrije tijd

In ieder geval: Assen had zijn Wilhelmina Ziekenhuis. Misschien is het woord "ziekenhuis" - uitgaande van het idee dat we daar tegenwoordig van hebben - wel een veel te weids begrip voor het witte villaatje aan de Oosterhoutstraat. Er was een le klas kamer met één bed, er waren twee 2e klas kamers met ieder twee bedden, een 3e klas zaaltje met bedden voor zes vrouwen en een 3e klas zaaltje voor vijf mannen. Op de eerste verdieping woonde het personeel, de directrice verpleegster, de verpleegster en het inwonende echtpaar voor het huishoudelijke werk. Een specialist was die eerste jaren nog niet aan het Wilhelmina Ziekenhuis verbonden. De operatiekamer achterin het gebouw werd gebruikt door de plaatselijke huisartsen die hun eigen patiënten in het ziekenhuis behandelden. In de vergadering van de gemeenteraad van december 1906 was hierover al gezegd: "De inrichting kan zeer eenvoudig zijn. We moeten niet een geneesheer-directeur aanstellen, maar kunnen volstaan met een directrice-verpleegster. Ook is het niet noodig een kast met kostbare chirurgische instrumenten aan te schaften. Een dokter die er eene operatie wil doen, kan zijn eigen instrumenten meebrengen."

In die tijd ging je niet in een ziekenhuis werken om er een redelijk salaris te verdienen. Op de eerste plaats was het een zware baan met nauwelijks vrije tijd; de verpleegsters waren verplicht in het ziekenhuis te wonen. Ze moesten iets van het onbaatzuchtige van Florence Nightingale hebben. Zelfs als erbij bedacht wordt dat het personeel gratis kost en inwoning had, was het loon laag. De directrice verdiende ƒ 350 - per jaar, terwijl het hoofd van een Asser lagere school in die tijd meer dan drie keer zoveel verdiende. Nu was het geld voor het verplegend personeel van die tijd niet zo erg belangrijk. Ze kwamen uit watje zou kunnen noemen de "betere" kringen. Het waren de eerste "echte" vrouwenberoepen in die begintijd van de vrouwenemancipatie; voor het geld hoefden de meeste verpleegsters het in ieder geval niet te doen.

De eerste verpleegtarieven van het Wilhelmina Ziekenhuis, zoals die in het Huishoudelijk Reglement werden vastgelegd, lijken op het eerste gezicht erg laag; gewend als we zijn om in honderden guldens tegelijk te denken. Per dag was de verpleegprijs voor de le klasse ƒ 5,-, voor de 2e klasse ƒ 2,50 en ƒ 1- voor de 3e klasse. Bedenk er dan wél bij dat die ene gulden niet ver aflag van het gemiddelde dagloon van een Asser arbeider in een tijd zonder sociale voorzieningen. Een tijd zonder ziekenfondsen, maar wel met de zekerheid dat het loon in de meeste gevallen bij ziekte ophield. De verpleegkosten moest de patiënt zélf betalen. Was dat echt onmogelijk dan kon de gemeentelijke Armenzorg voor enige ondersteuning zorgen. Tijdens de eerste jaarvergadering van de vereniging Het Wilhelmina Ziekenhuis op donderdag 21 februari 1911 klaagde de heer Wolthekker over de zijns inziens veel te hoge tarieven:

"Eén gulden per dag voor de 3e klasse is te veel. Dat kunnen de kleine menschen niet betalen. In Almelo is dit veel lager. Daardoor zijn er veel meer patiënten. Hier is soms maar één patiënt. Wanneer de 3e klasse goedkooper was, kon iedereen ervan profiteren. Nu 't blijkt dat er een flink batig saldo is, kan er in sommige gevallen best eens gratis opname plaats hebben. Verder wensch ik meer bezoekuren. Driemaal per week voor de 3e klasse is te weinig. In Groningen mag men de zieken ieder oogenblik bezoeken." Volgens de notulen antwoordde de voorzitter van het bestuur toen:

"Kostelooze verpleging zou hier niet kunnen, dan kwam de rekening niet uit. Wij hebben dit jaar eenige onverwachte voordeden gehad, anders had de rekening geen batig saldo opgeleverd. Almelo is eene groote fabrieksplaats. De fabrieken hebben ziekenkassen en ziekenbussen, zoodat daar de opname veel gemakkelijker gaat dan hier. Komt eenmaal de Ziektewet, dan wordt de toestand, ook voor ons, beter." "Wat de bezoekdagen betreft, drie bezoekdagen in de week acht men voldoende voor de 3e klasse. Men kan in een klein ziekenhuis toch niet ieder oogenblik bezoekers toelaten. Dat zou voor andere zieken die rust moeten hebben, nadeelig zijn. En bij ernstige gevallen wordt bezoek op ieder uur van den dag toegestaan."


Aan het Oosterhoutje werden vanaf 1910 de eerste patiënten ontvangen

De aanschaf van röntgenapparatuur

Het ziekenhuis was een wereldje met zijn eigen spelregels. Uit de notulenboeken blijkt hoezeer het bestuur bij het dagelijkse reilen en zeilen betrokken was. Alles ging via hen: de aanschaf van materiaal, de klachten over de verpleging, de ruzies tussen het personeel, de moeilijkheden bij het invorderen van het verpleeggeld enzovoort. "Niets was te groot en niets te klein voor hun aandacht," schreef Prof. Querido eens over een dergelijk ziekenhuisbestuur. Die eerste jaren van het Wilhelmina Ziekenhuis waren een echt schuchter begin. In 1910 werden er 70 patiënten behandeld, de jaren daarna steeds ongeveer 100 waarna het rond 1920 snel klom naar ongeveer 500 per jaar. Het grootste aantal patiënten dat tegelijkertijd in het ziekenhuis lag, bedroeg in 1910 elf patiënten, het kleinste aantal was slechts één patiënt. Voor 1915 waren deze cijfers respectievelijk twintig en negen.

Een belangrijke verandering in die tijd waren de spreekuren die Dr. Koovuit Groningen vanaf november 1916 tweemaal per week in het ziekenhuis ging houden. In januari 1919 volgde Dr. La Chapelle hem op. In tegenstelling tot zijn voorganger ging de chirurg La Chapelle in Assen wonen. Door de komst van een "eigen" specialist begon het Wilhelmina Ziekenhuis meer en meer van karakter te veranderen. Was het eerst puur een verpleeghuis geweest, in die tijd begon het accent nadrukkelijk naar de specialistische behandeling te verschuiven. Hoewel dit proces meer dan tien jaar duurde en eerst rond 1930 - met de grote verbouwing en de komst van een geneesheerdirecteur - werd afgesloten, zijn er in 1919 al vlak na de komst van La Chapelle signalen van op te vangen.

Wat bijvoorbeeld te denken van de discussie over de aanschaf van röntgenapparatuur? Had de Asser gemeenteraad zich in het verleden op het standpunt gesteld dat de doktoren hun eigen instrumenten maar mee moesten nemen, nu sprak men naar aanleiding van een brief van La Chapelle over een krediet voor de aanschaf van een röntgenapparaat. Twee maanden na zijn komst in Assen had La Chapelle de gemeenteraad o.a. het volgende geschreven: "Het is overbodig er op te wijzen, dat het tegenwoordige ziekenhuisbedrijf voor de hoofdstad der provincie Drenthe niet aan bescheiden eischen voldoet. Zeer zwaar weegt het gemis van een Röntgeninstallatie voor onderzoek en behandeling, niet alleen voor chirurgische doeleinden maar voor elk medisch gebied. Tot op heden was een der grootste bezwaren voor zulk een installatie het gemis aan electriciteit. Het is ondergeteekende echter gebleken, dat de Gemeentelijke gasfabriek voldoende electriciteit kan leveren (. . .). In overleg met den directeur van de gasfabriek is gebleken dat aldaar het toestel kan ondergebracht worden, zoodat de kosten voor nieuwen bouw, duur electrisch draad en stroomverlies zouden vervallen."


Vanaf 1919 tot 1921 werden de patienten voor ròntgenonderzoek door het Asser Bos naar de gasfabriek aan de Witterstraat gereden

'Vermoste werkuren'

In september 1919 besloot de gemeenteraad een krediet voor de apparatuur ter beschikking te stellen en enige tijd later kon de conciërge van het ziekenhuis de eerste patiënten door het Asser Bos naar de gasfabriek aan de Witterstraat rijden om daar aan de stralen van het apparaat te worden blootgesteld. Deze toestand duurde ruim twee jaar. In juli 1921 besloot het bestuur van het Wilhelmina Ziekenhuis het gebouw op het elektrisch net aan te laten sluiten. Vanwege de hoge kosten moest echter voorlopig een deel van de gasverlichting gehandhaafd blijven. De röntgeninstallatie zou nu ook verhuisd kunnen worden: "Hoewel de ruimte bij de gasfabriek voldoende is, is het toch rationeeler dat de geheele installatie als er electriciteit is, (. . .) wordt overgebracht naar het terrein van het Ziekenhuis wat den patiënten een dikwerf ongewenscht vervoer bespaart, maar wat aan den anderen kant ook weer meer kosten voor ruimte met zich brengt." Het apparaat in de gasfabriek bleek ondertussen al zo versleten dat men in september 1921 "vanwege het kolossale aantal vermorste werkuren" besloot een nieuw toestel aan te schaffen.

Rond 1920 was het Wilhelmina Ziekenhuis al uit het krappe jasje van de goedbedoelde liefdadigheid van het Eeuwfeest gegroeid. De patiëntenaantallen namen van jaar tot jaar toe, het personeel moest steeds uitgebreid worden en de verzoeken om specialistische hulp groeiden. In de jaarverslagen van het ziekenhuis verschenen met de regelmaat van de klok opmerkingen die - ondanks hun verouderde spelling - weinig aan actualiteitswaarde ingeboet hebben. Zoals deze zinnen uit het jaarverslag over 1921:

"Ook uit dit verslag blijkt, dat het Ziekenhuis steeds meer aan zijn doel beantwoordt. Wat in het vorige jaarverslag is gezegd, kan worden herhaald: het aantal verpleegdagen en operaties neemt gestadig toe, maar daardoor komt het ziekenhuis èn wat ruimte èn wat finantiën betreft, in steeds grooter moeilijkheden, al kan daar thans aan worden toegevoegd dat door den aanbouw in het allernoodigste, wat ruimte betreft, is voorzien en met voldoening worden herhaald dat de Raad der gemeente Assen ook dit jaar weer bereid bleek ons zooveel mogelijk finantiëel bij te staan."

Er moest geïmproviseerd worden. Er werden bedden op de zalen bijgezet en steeds meer patiënten werden ondergebracht in het militair hospitaal aan de Witterstraat. Maar steeds duidelijker werd dat dit slechts lapmiddelen waren. Rond 1920 kwam het bestuur met het plan op tafel het gebouw van het militair hospitaal aan de Witterstraat over te nemen van het Ministerie van Oorlog. Hoewel plannen zelfs op tekening uitgewerkt werden, kwam er uiteindelijk geen overeenstemming. Het ziekenhuis zou aan de Oosterhoutstraat blijven. Het bestuur ging op zoek naar de financiële middelen om een drastische uitbreiding van het complex te kunnen realiseren. Het zou nog jaren duren voor het zo ver was. Ondertussen verloor men het oog voor de details niet. Het blijkt bijvoorbeeld uit deze passage in de notulen van de bestuursvergadering van 2 februari 1926:

(Mr. Lohman is J. Bothenius Lohman, de toenmalige burgemeester van Assen.) "Mr. Lohman heeft informatie ingewonnen overeen fietsenrek. Een ijzeren rek met afdak plaats gevende voor 10 fietsen moet fl. 145,- kosten. Daar men dit te duur vindt, zal de penningmeester eens informeeren naar een houten rek." Op 4 januari 1927 sprak het bestuur over een proef met "een radioinstallatie met drie luidsprekers". Het leek geen onverdeeld succes. "Luidsprekers zijn ongewenscht in een ziekenhuis. Toch heeft met kerstmis en daarna, toen er geen bezwaar was de luidsprekers te gebruiken, de installatie aan haar doel beantwoord. Dr. La Chapelle stelt voor de geheele zaak voorloopig te laten rusten." Het volgend jaar werd er een radio "met 12 hoofdtelefonen" aangeschaft.


Fietsenmaker Baakman demonstreert zijn 'ambulance'.

De economische crisis

In hetzelfde jaar 1928 bouwde de gemeente een barak voor besmettelijke ziekten op het ziekenhuisterrein. Dit gebouwtje bestaat nog steeds en maakt deel uit van de kinderafdeling. Het betekende enige verlichting, maar gezien het tekort aan bedden was het niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat. Een echte oplossing kwam een jaar later in zicht, toen op 3 december 1929 het Provinciaal Ziekenhuis Comité een bedrag van ƒ 22.000,- aanbood. Dankzij deze schenking kon de financiering voor de nieuwbouw rondgemaakt worden. Architect J. Stuivinga uit Zeist had de opdracht gekregen een nieuw ziekenhuis te tekenen "gebruik makende van het bestaande voorzoover dit bruikbaar is". Toen waren de dagen van het witte villaatje aan de Oosterhoutstraat geteld.

Op 11 juni 1930 werd de uitbreiding openbaar aanbesteed. Op 23 juni werd de bouw onderhands gegund aan aannemer Van Lunteren uit Zeist die een week later al aan de slag ging. In het jaarverslag over dat jaar werd opgetekend: "Velen zagen hun langgekoesterde wensch in vervulling gaan. Eindelijk was het zoover dat Assen zijn grooter Ziekenhuis zou krijgen. Zij die met persoonlijke opofferingen en taaie volharding aan de verwezenlijking van het doel hebben gewerkt, hebben recht op den dank van de ingezetenen van Assen en wijde omgeving."

In 1932 was de nieuwbouw van het Wilhelmina Ziekenhuis klaar. Uiterlijk was er van het oude gebouw aan de Oosterhoutstraat niets overgebleven. Als grijpgrage vingers strekten de nieuwe paviljoens zich achter het gebouw in alle richtingen uit. Alleen de tijd zat niet mee. De jaren dertig waren begonnen en Nederland zakte meer en meer weg in de economische crisis. In alle vergaderingen van het bestuur stond de crisis achter de deur mee te luisteren. Tot in de kleinste kleinigheden. Materiaal dat anders vervangen werd, moest nu maar een tijdje langer mee. Het porceleinen servies werd langzaam vervangen door roestvrij staal. Daar bleef het natuurlijk niet bij. In de vergadering van 18 december 1933 gaf de penningmeester het volgende trieste verslag over de financiële toestand van het Wilhelmina Ziekenhuis: "De toestand is ernstig en rechtvaardigt drastische maatregelen. Het ziekenhuis heeft een banksaldo van ƒ 800 - en een kassaldo van ƒ400,-. In totaal ƒ 1200-waartegenover staan uitgaven tot een bedrag van ƒ 6189 - terwijl op 31 Dec 1933 ƒ 5000 - aan rente en aflossing moet worden betaald. Een bezuiniging op de jaarwedden van 105 welke ± ƒ3000 - zal opbrengen, is dus niet voldoende om evenwicht tusschen de ontvangsten en uitgaven te brengen. Ook op de huishouding zal sterk moeten worden bezuinigd."

De loonsverlaging met 1096 werd m.i.v. 1 januari 1934 doorgevoerd; op de salarissen van de leerlingen werd slechts 5% gekort. De toestand van het ziekenhuis werd er niet veel beter op, want in datzelfde jaar bereidde de gemeente Assen het ziekenhuis "een onaangename verrassing" door de subsidie van ƒ 9000 - naar ƒ5000 - te verlagen. Ook in het gemeentelijke huishoudboekje werd de tering naar de nering gezet. Noodgedwongen greep het ziekenhuis toen naar het laatste redmiddel om de inkomsten te verhogen: de verpleeggelden gingen naar beneden. Door de economische crisis was er voor de klasse-afdelingen helemaal geen belangstelling meer.

In 1936 leek het ergste voorbij. De verschuiving van patiënten naar de 3e klasse begon toen weer in omgekeerde richting om te buigen. Wel ging het ziekenhuisbestuur toen concurrentie vrezen van twee andere Drentse ziekenhuis. Het Bethesda-ziekenhuis in Hoogeveen bestond al geruime tijd, terwijl de plannen voor een ziekenhuis in Emmen in een vergevorderd stadium waren. In de patiëntenaantallen voor de jaren dertig is overigens weinig te merken van een dergelijke "concurrentie".


"Als grijpgrage vingers strekten de nieuwe paviljoens zich achter het gebouw in alle richtingen uit"

Na het klaarkomen van de nieuwbouw klom het patiëntenaantal per jaar van 600 naar 1200 vlak voor de oorlog. Het aantal mensen in de verpleging schommelde in die tijd steeds rond de vijftig. Wat wel groeide was het aantal specialisten. Was Dr. La Chapelle vlak voor de verbouwing de enige specialist, aan het eind van de jaren dertig heeft het Wilhelmina Ziekenhuis naast een chirurg een internist, een neus-, keel- en oorarts, een kinderarts en een neuroloog. Na het stormachtige begin van de jaren dertig leek het ziekenhuis op het eind in wat rustiger vaarwater terecht gekomen. In het jaarverslag over 1937 constateerde het bestuur met enige tevredenheid: "Zijn er nu geen wenschen meer? Gelukkig wel, maar zij zullen er altijd wel blijven om getuige te zijn van de gestage ontwikkeling der geneeskunde en van de blijvende activiteit van hun dienaren."

En toen begon de oorlog ....






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl