In en om Assen





Een langzame maar gestage groei


Bronvermelding:
'Waar men den kranke, zoo 't kan, geneest ...' Jubileumboek 75 - jarige geschiedenis van het Wilhelmina ziekenhuis in Assen, 1985. Teksten Bertus Boivin en Chris van der Veen.


Poseren in de operatiekamer voor de fotograaf


Een bezuinigingscommissie


In de loop van de 10e mei 1940 werd in het Wilhelmina Ziekenhuis de balans opgemaakt. De helft van de patiënten bleek verdwenen. Niet dat ze het slachtoffer van de oorlogshandelingen geworden waren, nee gewoon: ze waren naar huis gegaan. De eerste maanden van de oorlog bleef de bezetting van het ziekenhuis steeds laag. De mensen bleven liever thuis in zo'n onzekere tijd, toen "oorlog" nog iets nieuws was en Nederland voor het eerst sinds tijden weer een "vijand" had. In het ziekenhuis werd geïmproviseerd. Er waren problemen met de voedselvoorziening en de verplichte verduistering. In het jaarverslag 1940 werd over die verduistering gezegd: "De zucht om het probleem zoo goedkoop mogelijk op te lossen was hieraan niet vreemd."

Er werd een bezuinigingscommissie ingesteld bestaande uit twee bestuursleden, de nieuwe geneesheer-directeur dr. H. W. Mook en de nieuwe adjunct-directrice P. A. Keur. Het resultaat van hun onderzoek naar bezuinigingen beslaat drie getypte velletjes en het schetst een indringend beeld van het Wilhelmina Ziekenhuis, zoals het er in die tijd uit zag. Om ervoor te zorgen dat de patiënten "zoolang de voedselvoorziening zulks toelaat, krachtig, degelijk voedsel" zouden krijgen, stelde de commisie voor de inkopen niet langer bij toerbeurt bij de Asser kruideniers te doen, maar voortaan in het groot in te kopen. En verder: "Intusschen is alle tuingrond in de omgeving barak tot aan de Zuidersingel, alsmede die grond, welke tot heden als zustertuintjes dienst deed, tot moestuin omgezet. (...) De bereiding van koffie met extract heeft tot resultaat, dat slechts 15 pond per maand gebruikt wordt, tegen 25 pond per maand voordien. Een hooikist is bereids door conciërge De Jong vervaardigd en overwogen wordt voor aanstaande winter eieren in de kalk te zetten."

Het is onmogelijk de oorlogsjaren alleen te beschrijven vanuit de fysieke strijd om in leven te blijven en het improvisatietalent dat eraan te pas kwam om dat te realiseren. Want er was meer. Er was een bezetting die de mensen niet alleen in hun maag, maar ook in hun hart voelden. Hoewel de geschreven bronnen van het Wilhelmina Ziekenhuis onvoldoende zijn om daar een evenwichtig beeld uit te halen, komt het toch in een aantal gevallen bijna onwerkelijk naar voren.

Wat bijvoorbeeld te denken van het feit dat het bestuur vergaderde over een brief "inzake Joodsch personeel". Men moest berichten dat er één contract opgezegd zou worden. Of deze passage uit de notulen van de vergadering van 6 november 1941: "De voorzitter deelt mede dat op bevel van het Duitsch bestuur de naam Wilhelmina Ziekenhuis wijziging dient te ondergaan. Hij stelt voor totdat hierin weer wijziging kan worden gebracht, het woord Wilhelmina op de officieele stukken weg te laten en dus alleen te spreken van het Ziekenhuis te Assen. Aldus besloten."

Verder is er in de notulen voortdurend sprake van vervangingen van specialisten die om verschillende redenen tijdelijk afwezig waren. Zo werd de geneesheer-directeur in 1943 samen met zijn assistent bijna een maandlang gevangen gezet. Tegen het eind van de oorlog werd de KNO-arts Brinkman naar Duitsland weggevoerd om niet meer terug te keren. Ook binnen het bestuur waren de gevolgen van de bezetting te merken. Bestuursleden verdwenen zonder dat er op papier een al te duidelijke opgave van redenen gegeven werd. Op 22 december 1943 kwamen de NSB-burgemeester Boelens en de "foute" SDAP-er Lebbe in het bestuur in plaats van de inmiddels afgezette burgemeester Bothenius Lohman en het raadslid De Jong. Daarna staat er in het notulenboek nog slechts één bestuurs-vergadering in oorlogstijd, nl. in het voorjaar van 1944 als er over de rekeningcijfers gesproken moet worden. De komst van Boelens en Lebbe betekende het voorlopige einde van de bestuurlijke onafhankelijkheid van het ziekenhuis.


Deze foto genomen op 31-05-1941 toont een aantal verpleegsters van het Wilhelmina Ziekenhuis aan de Oosterhoutstraat 9 te Assen. V.l.n.r. hoofdverpleegster M. Nienhuis en de verpleegsters M. Semmelink, A. Wieringa, H. Aalders, M. Mulder en B. Ensing. Op de achtergrond patiënt Karel Nathans. (collectie: gemeente Assen)


Er brak een difterie-epidemie uit


Het laatste oorlogsjaar vergde de uiterste inspanning van het personeel van het Wilhelmina Ziekenhuis. Dat is alleen al aan de patiëntenaantallen af te lezen. Waren er in het jaar 1939 1293 patiënten, voor de jaren '44 en '45 waren die cijfers resp. 2083 en 2523. Voor deze "explosie" zijn een aantal redenen te geven. Allereerst natuurlijk in zijn algemeenheid de steeds maar weer verslechterende omstandigheden op het punt van de voedselvoorziening en de hygiëne, die uiteraard hun uitwerking hadden op de gezondheid van de Nederlander. Verder dient bedacht te worden dat de bevolking van Assen in het laatste oorlogsjaar met enkele duizenden gegroeid was. Voor het grootste gedeelte waren dat arbeiders van de "Organisation Todt", het Duitse staatsbouwbedrijf, dat in de omgeving van Assen enorme verdedigingswerken moest aanleggen. En niet te vergeten de vluchtelingen uit Limburg die voor de linies van de geallieerden uit naar het noorden getrokken waren. Alleen al in de laatste week van januari '45 kwamen er 3000 Limburgers naar Assen.

Veel van de kinderen van de doortrekkende vluchtelingen kwamen naar het ziekenhuis om daar 's nachts verzorgd te worden. Ook de dwangarbeiders uit Tessel die onder gebrekkige omstandigheden in de Dr. De Visserschool aan de Oosterhoutstraat ondergebracht waren, kwamen bij toerbeurt naar het ziekenhuis om daar in bad te gaan en tegen de schurft behandeld te worden. Tot overmaat van ramp brak er een difterie-epidemie uit. Meteen al was de barak voor besmettelijke ziekten op het ziekenhuisterrein te klein. Er moest geïmproviseerd worden om het aantal bedden drastisch uit te breiden. De gereformeerde school aan de Schoolstraat en later de oude pastorie aan de Zuidersingel (het tegenwoordige opleidingscentrum "De Hoek") werden als noodhospitaal ingericht. In totaal betekende dit een tijdelijke uitbreiding met zo'n honderd bedden. Wat dat voor een belasting betekende in een tijd waarin er van alles bijna niets te krijgen was, voor een ziekenhuis dat normaal een capaciteit had van 65 bedden, laat zich gemakkelijk raden.

Wellicht veel beter dan iemand achteraf zou kunnen opschrijven, geven de volgende zinnen uit het jaarverslag over 1942 de toestand weer waarin men in die oorlogsjaren werkte: "De zeer grote bezetting van het ziekenhuis bracht voor hen, die met de verzorging der patiënten belast waren, grote moeilijkheden met zich mede. Veel zou in normale tijden niet kunnen worden getolereerd. Thans moest ervan gemaakt worden wat mogelijk was." Zo ging dat in 1942 en zo bleef het tot het allerlaatst. In de vroege morgen van vrijdag 13 april 1945 trokken Canadese troepen de stad binnen. In het ziekenhuis lagen toen alleen de meest ernstige gevallen. De rest was eerder naar huis gestuurd.

Vóór de oorlog was het nog zo dat niet iedereen die naar het ziekenhuis zou moeten, er ook inderdaad terecht kwam. De eigen financiële situatie was nog steeds meebepalend voor het al dan niet naar het ziekenhuis gaan. Tijdens en vooral na de oorlog verviel dat persoonlijke element helemaal. Vanaf het "Ziekenfondsbesluit" dat door de Duitsers werd ingevoerd, werd langzaam maar zeker het financiële plaatje gemaakt zoals we dat tegenwoordig kennen: gelijke mogelijkheden voor iedereen om gebruik te maken van de geneeskundige voorzieningen. Deze ontwikkeling is te merken in het vervolg van het verhaal van het Wilhelmina Ziekenhuis; een verhaal waarin beddentekort, uitbreiding, modernisering en nieuwbouw trefwoorden zullen zijn.

Eigenlijk begon het al in de oorlog toen de eerste grote uitbreiding nauwelijks tien jaar in gebruik was. In het jaarverslag over 1941 stond al te lezen: "Verbouw en uitbreiding van ons Ziekenhuis is dan ook een gebiedende eisch. De uitbreiding heeft dan ook op vele bestuursvergaderingen reeds een punt van bespreking uitgemaakt. Uw bestuur overweegt dan ook of met het oog op de tijdsomstandigheden het reeds thans mogelijk zal zijn tot uitbreiding te komen." Op 23 februari 1942 besloot het bestuur de Amsterdamse architect J. van der Linden tekeningen voor een uitbreiding te laten maken. In het jaarverslag over dat jaar meldde het bestuur echter somber dat de plannen "nog wel enkele jaren op uitvoering moeten wachten". Het zouden achttien jaren worden, want pas op 4 maart 1960 kon het nieuwe hoofdgebouw met de ingang aan de Zuidersingel officieel geopend worden. Over deze achttien jaren gaat dit hoofdstuk.

Toen na de bevrijding het bestuur voor het eerst weer bij elkaar kwam op 2 juli 1945 had niemand belangstelling voor de verre toekomst. Het was een tijd waarin de zekerheid dat het ziekenhuis de volgende week nog in bedrijf kon zijn, meer aandacht moest hebben dan de realisering van het verlanglijstje. In die eerste maanden verliep de stroomvoorziening nog uiterst gebrekkig en zelfs de meest noodzakelijke levensmiddelen en medicamenten waren voor het ziekenhuis moeilijk te krijgen. Kinderarts Verboom moest tot twee keer toe een oproep aan jonge Asser moeders in de krant doen om het ziekenhuis moedermelk te geven.


Foto genomen op 13-04-1945 toont verpleegsters van het Wilhelmina Ziekenhuis en Canadese militairen dansend op de Brink te Assen. Tweede verpleegster van links: Heleen Roelink, schuin achter haar Riek Roelink, derde verpleegster van links M. van Huffelen. Van rechts de eerste verpleegster Woutertje van Zanden en daarnaast Zia Stadlander. (collectie: Drents Archief)


"Kraamkliniek van het Wilhelmina Ziekenhuis"


Het jaar daarop stond het ziekenhuis er nog steeds slecht voor. Er was zo'n tekort aan personeel dat men bedden onbezet moest laten, terwijl de exploitatie steeds grotere tekorten ging vertonen. Een tariefsverhoging in mei 1946, waarbij de tarieven voor bijvoorbeeld de 3e klasse tot ƒ3,50 opgetrokken werden en die van de le klasse tot ƒ 11,75 per dag, bood geen soelaas. Pas toen de geleide loonpolitiek voor het verplegend personeel vorm begon te krijgen, kwam er enige rust in de exploitaie van het ziekenhuis. In 1948 kon de voorzitter de hoop uitspreken dat de financiële resultaten van het ziekenhuis "dragelijk" zouden zijn. Ondertussen was het duidelijk geworden dat de uitbreiding van het ziekenhuis een miljoenenproject zou worden. In '46 werden de kosten geschat op 2 miljoen; het zouden er uiteindelijk meer dan twee maal zoveel worden.

In het bestuur gingen er stemmen op die zeiden dat je elders in de stad voor dat bedrag beter een nieuw ziekenhuis kon bouwen. Men vroeg zich af "(. . .) of het huidige terrein wel geschikt is om tot een dergelijke uitbreiding te geraken o.a. omdat in de nabijheid een autobuscentrum zal komen. Om zich een rustige ligging van een ziekenhuis te verzekeren zou 't beste zijn eens uit te kijken naar een terrein in de periferie der gemeente." Er bleek voldoende gespreksstof voor jaren. Vooral ook omdat de financieringsbeslissing over de uitbreiding niet meer in Assen genomen kon worden. Dergelijke zaken werden voortaan op landelijk niveau beslist. De tijd dat je dat "even" regelde met een collecte, een verloting en een fancy-fair was - toen de miljoenen in zicht kwamen -al lang voorbij. Het ging er nu om hoe hoog je via de landelijke Ziekenhuiscommissie op de urgentielijst gezet werd. Ondertussen moest er het een en ander gebeuren om voorlopig de grootste knelpunten op te lossen. In 1948 stond het bestuur voor het probleem dat uitbreiding van de verpleegruimte het noodzakelijk maakte dat voor de zusters buiten het gebouw een onderdak gevonden moest worden. Men kocht de panden Javastraat 2 en 4 en richtte ze als zusterhuis in.


Beilerstraat nr. 11 - Kraamkliniek van het Wilhelmina ziekenhuis. De plek waar de samensteller van deze website het levenslicht aanschouwde.


De loonpolitiek van de jaren vijftig


In hetzelfde jaar 1948 werd een pand van de gemeente gehuurd dat als kraamkliniek gebruikt zou gaan worden. Na een uitvoerige gedachtenwisseling in het bestuur werd besloten het pand aan de Beilerstraat de originele naam "Kraamkliniek van het Wilhelmina Ziekenhuis" te geven. Er was plaats voor tien vrouwen en hun babv's. Terwijl de plannen voor de grote uitbreiding van het ziekenhuis steeds vastere vormen kregen, werd in 1953 de eerste belangrijke uitbreiding van het complex sinds 1930 voltooid: de kinderafdeling die in de richting van de Zuidersingel gebouwd werd.

In 1956 kon daadwerkelijk met de grote uitbreiding begonnen worden. Toen op 5 juli 1957 het 50-jarig jubileum van het Wilhelmina Ziekenhuis uitvoerig herdacht werd, was het rond het oude complex een en al bouwactiviteit. Ook nu weer bleek dat herdenken in de ziekenhuiswereld een prettige aangelegenheid is, omdat de ontwikkelingen er zo snel gaan dat de nostalgie zich er al in een paar jaar tijd meester van kan maken. In 1958 was het nieuwe zusterhuis aan het Oosterhoutje voltooid en twee jaar later de grote vijf verdiepingen hoge nieuwbouw. Het oude ziekenhuis waar het allemaal begonnen was, werd een soort doodlopende vleugel van het nieuwe complex. De nieuwbouw was twee maal zo groot als al het bestaande tezamen.

De grote gebeurtenis die de groei van het Wilhelmina Ziekenhuis tot een "ziekenhuis van formaat" afsloot, was de officiële opening op 4 maart 1960. Het ziekenhuis had voortaan ruim 300 bedden. In zijn toespraak bij de opening zei Dr. Mook o.a. het volgende: "In de loop van de jaren kwam dan ook nog wel eens naar voren een plan voor de bouw van een geheel nieuw ziekenhuis, welk plan na rijp beraad - vanwege de meerdere kosten - niet werd uitgevoerd. De vervanging van de bedden in het oude gebouw zou zeker enige millioenen extra gekost hebben. We zijn ons er volkomen van bewust dat door deze zuinigheid niet een geheel is ontstaan dat wat vorm betreft ideaal is, maar toch geloven we nog steeds dat we verstandig hebben gehandeld."

Als je naar de stormachtige ontwikkelingen van het Wilhelmina Ziekenhuis kijkt, is het voor de hand liggend dat er veel nadruk komt te liggen op de uitbreiding en vernieuwing van het gebouwencomplex. Het zou echter onjuist zijn het daar bij te laten, want er veranderde meer dan alleen de gebouwen. Tvperend voor de jaren vijftig is wat er met het personeel gebeurde. Was men voor de oorlog individueel overgeleverd aan de goede wil van het bestuur, in de geleide loonpolitiek van de jaren vijftig veranderde dat definitief. Bovendien werd het financieel aantrekkelijker om in de verpleging te gaan werken. De tijd dat roeping en naastenliefde je staande moesten houden in het zware werk was voorbij.


Het verpleeghuis 'Anholt'


De jaren vijftig waren de kleuterjaren van de medezeggenschap. Het begon allemaal met de gezelligheid van de personeelsvereniging. Deze werd in februari 1952 opgericht onder voorzitterschap van chef-timmerman Chr. van Egmond. In onze tijd van sociale jaarverslagen en "overlegsituaties" tussen directie en ondernemingsraad gaat er een zekere charme uit van wat er in 1955 onder het kopje "Personeel" in het jaarverslag staat. Er werd gemeld dat er een geluidsprojector was aangeschaft en dat de discotheek thans veertien platen bevatte. Verder had het personeel veel gebruik gemaakt van de caravan "Tonicum" die dat jaar bij Schoorl had gestaan. Er was dat jaar voor het eerst een personeelskrant verschenen: "Hierin werden enige artikelen geplaatst ter ontwikkeling van de lezers, voorts werden hel nieuws en de mededelingen van de personeelsvereniging hierin opgenomen. Ook de directie kon zich via de krant over bepaalde onderwerpen tot het personeel richten." Zo ging dat toen nog in een "ziekenhuis van formaat".

De opening van het nieuwe hoofdgebouw betekende niet het einde van de groei van het ziekenhuiscomplex. In 1961 kwam "Anholt", het verpleeghuis voor lichamelijk langdurig zieken, aan het Oosterhoutje gereed. Hoewel "Anholt" sinds 1954 een zelfstandige stichting was, kwam het beheer van het verpleeghuis bij het Wilhelmina Ziekenhuis. In die tijd was iedereen het er over eens dat een verpleeghuis bij een ziekenhuis aangehaakt moest zijn; een inzicht waar spoedig daarna wijziging in kwam. Toen later dan ook door de steeds groter wordende behoefte aan verpleeghuisbedden over uitbreiding van "Anholt" gedacht werd, liet men de koppeling met het ziekenhuis los. In juni 1980 werd het nieuwe complex van "Anholt" aan de Paul Krügerstraat in Assen in gebruik genomen.

Er veranderde in de laatste twintig jaar zoveel in en rond het ziekenhuiscomplex dat volstaan moet worden met een paar voorbeelden. Vrijwilligers begonnen met de ziekenomroep R.O.S.A. in het gebouw "De Schalm", de oude hervormde kapel aan de Oosterhoutstraat die omgebouwd werd tot recreatieruimte. Op verschillende plaatsen in de stad werden panden aangekocht om ze in te richten als huisvesting voor het personeel. Van de bouwactiviteiten op het ziekenhuisterrein was de bouw van een vleugel met honderd bedden, die in 1970 voltooid werd, de (waarschijnlijk laatste) belangrijke uitbreiding.

Ook organisatorisch veranderde er de laatste jaren veel, zoals bijvoorbeeld in de structuur van het ziekenhuis door de invoering van een driehoofdige directie. Verder kreeg de medezeggenschap, die in de jaren vijftig op zo'n onverbindende wijze begonnen was, gestalte in een ondernemingsraad. En dan mag in een historisch overzicht natuurlijk de overgang van de Vereniging "Het Wilhelmina ziekenhuis Assen" naar de "Stichting Wilhelmina Ziekenhuis Assen" niet onbesproken blijven. Het jaarverslag 1977/78 meldt: "Kon in de beginperiode van wezenlijke steun en inbreng van de zijde van de leden worden gesproken, de laatste jaren was het karakter van de Vereniging dermate uitgehold, dat de situatie in feite overeenkwam met een Stichting in klassieke vorm." Zo werd op 19 december 1978 een stukje geschiedenis afgesloten. Niemand lag er wakker van.


Vrijwilligers aan het werk voor de ziekenomroep R.O.S.A.


Absolute monarchjes


In de statuten van de nieuwe stichting werd bepaald dat twee leden door de Asser raad benoemd werden, twee door belangrijke plaatselijke organisaties, één in samenspraak met de medische staf, twee in samenspraak met de ondernemingsraad en enkele leden "qualitate qua". Momenteel bestaat het bestuur uit: drs. G. J. Eerland (waarnemend penningmeester), P.J.J. Gerritsma (secretaris), mr. N. W. van Houten, A. Hulshof, R. de Jong (vice-voorzitter), G. J. de Jong Posthumus (penningmeester), drs. F. Jonkman, mr.J.W. Masman (voorzitter), mevr. M. H. Ribberink, mevr. C. Ronteltap-van Mill en mr. G. J. M. Tijdhof (adviserend lid). Bij de opening van het nieuwe hoofdgebouw in 1960 maakte de toenmalige Commissaris der Koningin in Drenthe, mr. J. Cramer, een opmerking die tegen de achtergrond van die tijd de moeite van het citeren waard is. De ondertoon van ironie, waarmee hij waarschijnlijk zijn zinnen uitsprak, is verloren gegaan toen de woorden genoteerd werden: "Met de rechten van de patiënt is het maar slecht gesteld. Hij wordt bij zijn binnenkomst volledig onttakeld en heeft daarna niets meer te vertellen. De zusters - vanaf de eerste hittepetit tot de hoofdverpleegster - heersen als absolute monarchjes."

Toch geven die woorden, ontdaan van hun franje, ook een deel van de 75-jarige geschiedenis van het Wilhelmina Ziekenhuis weer. Denkend aan het verleden ligt het erg snel voor de hand te spreken over het steeds maar weer te klein wordende gebouwencomplex, de toenemende specialismen en de groei van het aantal personeelsleden. Het is dan de ontwikkeling vanuit het vertederende prototype naar de soepeldraaiende gezondheidsmachine. Als je het daarbij houdt, wordt de patiënt vergeten; het lijdende voorwerp waar gezondheidszorg op gepleegd wordt. De opleiding van de verpleegkundigen bestond nog niet zolang geleden vooral uit het aanleren van een aantal praktische vaardigheden.

Iemand omschreef de ontwikkelingen in de medische wetenschap van de twintigste eeuw eens als "één geprolongeerde pakjesavond". Steeds beter werden de medici in staat gesteld om bepaalde ziekten te lijf te gaan, maar daarbij nam de afstand tussen arts en patiënt vaak evenredig toe: "Ik iets vragen aan de dokter? Die man die ziet me aankomen. Ik zou d'r toch niets van snappen en trouwens; hij heeft het zo druk, hij moet zo veel patiënten bij langs."

Zo groeide langzaam maar zeker het beeld van de "gezondheidsfabriek" met zijn lange, kale gangen, met personeel dat zich niets van je aantrekt en doktoren die je geen tijd gunnen om vragen te stellen. "Je ligt hier om beter te worden." In de loop van de jaren zestig en zeventig veranderde er ook op dit gebied veel. Het beeld van de gezondheidsfabriek raakte aan het wankelen in de grote maatschappelijke veranderingen die toen op gang kwamen. De mensen werden mondiger, waren beter geïnformeerd en durfden voor hun rechten op te komen. Medici leerden zich anders op te stellen binnen die veranderde omstandigheden en, bijvoorbeeld in de opleidingen voor de verpleging, werd steeds meer plaats ingeruimd voor sociale vaardigheden. Te lang had de ziekte centraal gestaan en niet de zieke.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl