In en om Assen

De streek van mijn jeugd.
Amelte -13-


Meneer at berespek

Bron: Tijdschrift van de Asser Historische Vereniging; nummer 3 / september 1994 Een verhaal van Hendrik Dries opgetekend door Bertus Boivin




Mijn leven op Amelte

Hendrik Dries werd 81 jaar geleden geboren in Odoorn. Toen hij een jaar of drie was, verhuisde hij naar de voormalige ‘Zwienehokken’ op het landgoed Amelte, de kleine boerderij linksachter de grote boerderij van Dreesman (Amelte 13.) Dries’ grootvader was vanaf 1909 bedrijfsleider bij Dreesman, zijn zoon – Hendrik Dries’ vader – had als taak om voor de paarden te zorgen.

Het waren de hoogtijdagen van het landgoed. Te midden van alle bedrijvigheid scharrelde de kleine Hendrik Dries rond, steeds op zoek naar nieuwe avonturen.
Aan Bertus Boivin vertelt hij over zijn jeugdjaren


Je kunt er geen aardappel zonder roestvlek afhalen

“Meneer Dreesman wilde het landgoed in de beginjaren als één bedrijf runnen. Elke winter maakte hij weer een partij land aan. Hij kreeg de kunstmest bij de wagon aan en karrevrachten schelpen voor de kalk. Op sommige stukken achterop zit nog steeds zoveel kalk in de grond dat je d’r geen aardappel zonder roestvlekken af kunt halen”. “Aan werkvolk had meneer Dreesman nooit gebrek. Hij betaalde een gulden per dag meer dan de boeren in de buurt.

In die beginjaren had ij een man of zes in vaste dienst. Plus wat d’r dan in de drukke tijd nog bij kwam. Als er bijvoorbeeld bieten gepoot moesten worden voor bietenzaad, kwamen zo’n beetje alle vrouwen van Tranendal een dag op Amelte werken. Je moest er wel bij blijven, vertelde Opa. Een dag had Dreesman zelf opgelet en toen Opa de andere dag ging kijken, stonden de bieten allemaal met de staarten omhoog….”.

Na een paar jaar kon het bedrijf toch niet uit en toen heeft meneer het landgoed in vier pachtboerderijen opgedeeld. Mijn grootvader kwam op de boerderij waar nou De Weerd op zit (Amelte 24) en mijn vader kreeg later de Zwienehokken in pacht. Zoek de paarden en de koeien maar uit die je nodig bent, zei ie destijds tegen mijn grootvader. Meneer Dreesman was een doodgoeie kerel. Dat heb ik later zelf ook ondervonden, toen ik in de jaren dertig vier jaar bij hem aan het werk was


Door veldwachter Overbeek heb ik in alle bomen van het Pelincksbos gezeten

“Ik herinner me als klein kind dat op een dag een Asser jongen – Wüst heette die – aan een parachute boven de stad uit een vliegtuig zou springen. Wij zouden natuurlijk allemaal gaan kijken, maar door een dikke onweersbui ging het feest niet door. Wüst durfde niet te springen, zeiden ze in de stad en de andere dag zouden wij kwajongens wel een laten zien dat wij wel durfden waar Wúst benauwd voor was.

 Wij dus aan het parachute springen…..We hadden bij iemand in de buurt alle lakens van bed af gehaald. We knoopten vier aardappels in alle hoeken, een touw eraan, klommen boven in de boom en dan eruit springen. Maar je bleef natuurlijk altijd halfweg hangen!”.
“Allemaal ondeugde en dan hadden we oude veldwachter Overbeek weer achter de veren aan. Alle bomen in het Pelincksbos daar heb ik wel ingezeten….”.


Meneer at berespek

“Meneer Dreesman is jarenlang vrijgezel gebleven. Hij woonde in die tijd bij zijn zusters die ook ongetrouwd waren, op Sans-souci, het witte huis naast Boslust aan de Beilerstraat. Tussen de middag bleef hij in Amelte in de grote boerderij. Hij zat dan in de kamer links met het grote dubbel raam. Mijn moeder kookte ’s middags voor hem.

Ik herinner me dat we er altijd gekheid over hadden dat meneer berespek at, spek van het dikste mannetjesvarken, het goedkoopste wat er was. Niemand lustte het, want het smaakte vreselijk sterk”. “Later is Sans-souci verkocht en is meneer Dreesman op Amelte komen wonen. Hij heeft op de hoek van de straatweg en de weg naar Anreep een huis laten bouwen (Amelte 22)”.


De ooievaars waren gevlogen

“Meneer is pas na zijn vijftigste getrouwd met een weduwvrouw, mevrouw Schaap, waar hij in een ogenblik tijd nog vier kinderen bij kreeg. Ik werkte in die jaren bij meneer. Middenin de crisistijd was dat. Ik was zelf ook net getrouwd, geen brood op de plank. Bij de winterdag werkte ik bij meneer en ’s zomers bij de Wilco”. “Meneer was een man met aparte ideeën.

Op een dag – hij was toen net getrouwd – wilde hij een koppel ooievaars bij huis hebben. Toen Berend de Weerd van de overkant ervan hoorde, schijnt hij tegen hem gezegd te hebben: ‘Ik denk meneer dat je ze gauwer bij de vrouw heeft, dan dat je ze op ’t nest hebt.’ Berend kreeg achteraf gelijk, maar door dit soort dingen liet meneer Dreesman zich nooit uit het veld slaan. Ik bouwde samen met hem een nest op een grote paal van zeker een meter of acht hoog en op een dag kwamen er twee jonge ooievaars, mooi verpakt in smalle kistjes waar ze rechtop in konden staan.

We moesten ze de eerste tijd voeren met vis van Anton Visser. En ik heb zelf zes weken lang lopen kikkers vangen – d’r is niet één die zo’n vak gehad heeft als ik!. De ooievaars groeiden als kool, tot ze zelf konden vliegen en meneer op een goede morgen bij het nest ging kijken. Zijn ooievaars waren gevlogen! We hebben de hele dag in de auto het diep tot aan Oudemolen aan toe afgezocht en de kant van Grolloo op, maar we hebben ze nooit, nooit weergezien”.


Een mohammedaans huisje voor de kinderen

“Later zei ie een keer. ‘Hendrik, we gaan mohammedaanse huisjes maken voor de kinderen!’ Ik moest allemaal takken in de grond steken. Die moest je dan net als een mand in elkaar vlechten. Alsmaar door van onder naar boven en dan boven zo bij elkaar. Dan was dat klaar en dan werd het allemaal ingesmeerd met leem.

Het duurde en duurde maar, want ik moest karren vol met doodkralenhout ophalen. Uiteindelijk duur het meneer allemaal wat lang, want op een morgen ie bij me en zei die: ‘Hendrik, ik heb wel eens gelezen dat mohammedanen ’s morgens weg gaan en dan hebben ze ’s avonds zo’n huisje klaar. Ik zeg: ‘Nou meneer, dan moet u maar een mohammedaan ophalen’. Ik ben d’r misschien al met al wel tien week mee bezig geweest. Hij heeft me ook nog dagenlang zelf geholpen met dat gesmeer met leem.

We hebben twee van die huisjes gemaakt. Eén voor de kinderen en één voor hemzelf. Daar zat zelfs een deur in met een bel. Ze hebben er jaren plezier van gehad”. “Echt, een onvergetelijke man. Toen ik bij hem weg ging om voor mezelf te beginnen – ik heb toen bij de boeren gaan dorsen – zei ie tegen me: ‘Als je je niet redden kunt, kom dan maar hoor!’
Tot zijn dood heb ik contact met hem gehouden. Meneer Dreesman is oud geworden. Over de negentig was hij, toe ie stierf. In zijn eigen huis in Amelte



© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl