In en om Assen

Amelte periode 1600 - 1800


Bij een van de huishoudens woonde een scheper in

Bron: een artikel van R. Marring; publicatiejaar 1994



In 1612 stonden er in Amelte twee boerderijen

Vanaf 1402 vinden we in de ordelen van de Etschstoel vermeldingen van bewoners van Amelte – gespeld als Amekinge, Amele, Amelde(n), Amelinge, Amelynge en Amelte – in hun zaken voor het gerecht van Drenthe. Pas vanaf het begin van de zeventiende eeuw krijgen we echter steeds duidelijker zicht op de bewoningssituatie. Belastingbronnen helpen ons daarbij.

In 1612 stonden er in Amelte twee boerderijen, die werden bewoond door Jan ten Amy en Jonge Jan ten Amelinck. Zij bewerkten toen respectievelijk 16 en 22 mud bouwland (een mud is ruim een kwart hectare). Vijf mudden lagen dros of zoals we tegenwoordig zeggen ‘braak’. Twintig jaar later woonden in elk van de beide huizen acht mensen. Verder woonde bij één van de huishoudens een scheper in.
Olde Jan en Jonge Jan maakten nog steeds deel uit van deze kleine gemeenschap.


De Amelter huizen stonden aan de Steeg

In 1654 krijgen we een heel duidelijk beeld van Amelte. Uit die tijd dateren namelijk kaarten, waarop ten behoeve van de grondschatting de bezaaide landen zijn ingetekend. Als we deze schetskaarten naast de oudste kadastrale kaarten uit het begin van de negentiende eeuw leggen, zien we een paar opmerkelijke verschillen. In de eerste plaats is de weg die we nu kennen als de Rolderhoofdweg nog niet aanwezig. Op deze plaats lag in 1654 de Oosteres. De Amelter huizen stonden aan de Steeg – nu bekend als het kerkpad van Anreep naar Rolde – ongeveer tweehonderd meter ten zuiden van de huidige Rolderhoofdweg aan de zogeheten Brink.

Deze Brink had het aanzien van een naar de huizen toelopende trechtervormige veedrift. Hier liep ook de toenmalige weg van Assen naar Rolde.



Ten hoogte van de huizen splitste deze weg zich. Linksaf naar het noordoosten kwam men uit bij de Deurzerdiep. De huidig brug ligt nog op deze plaats. De andere weg, waarschijnlijk een voetpad, boog iets af naar het zuidoosten. Hij doorkruiste de natte hooilanden en via een bruggetje kwam men middenin Deurze uit. Vandaar liep men via de weg over het hoogste deel van de Deurzer es recht op de toren van de Rolder kerk af.

Interessant lijkt de vraag of we hier niet te maken hebben met het oudste tracé van de weg van Assen naar Rolde. Nadere studie zou hier meer licht op kunnen werpen.


Olde Johan kan de 50 mud bouwland niet alleen bewerken

Over de bewoners van Amelte krijgen we enige duidelijkheid in een doleantie uit 1656. Daaruit blijkt dat Olde Johan ’t Amelte en Jonge Jan geen vader en zoon waren, maar twee broers die dan kennelijk zware tijden doormaken.
Olde Jan bleek nadat zijn broer uit Amelte vertrokken was, de vijftig mud bouwland die ze samen hadden, niet meer alleen te kunnen bewerken.

“gelyk sy samen synde uyt nootwendicheyt om voeder voor de creatuiren te hebben meest doen (…) mair enige jaeren herwaerts ende oock noch, geen 40 mudde lant besayen, ter oorsaike de resterende 10 ofte 12 mudde lants geheel onduchtich is, belopen met heyde, sodat sy t selve meestendeel anders niet gebruicken connen als met plaggen daeraf te meyen”.

Het areaal bouwland van deze ervan was toen nog ongeveer even groot als in 1612 en 1630. De bij de kaarten behorende registers laten zien dat we met grote bedrijven te maken hebben. De waarde van de erven was namelijk vastgesteld op respectievelijk 5800 en 4500 gulden, waarmee ze tot de grootste van de wijde omgeving gerekend kunnen worden.


Er was sprake van een ‘woest’ perceel

De bewoners waren eigenerde boeren en uit een andere bron blijkt dat Jonge Jan ette was voor het Rolder dingspel. Bovendien hadden ze in deze tijd en het kerkdorp Rolde zelf ook bezittingen. Duidelijk is ook dat ze op hun eigen bedrijf woonden, totdat één van de twee in 1656 vertrok. In dat jaar was er ook sprake van een ‘woest’ perceel, de Hofstee genaamd. Dit duidt op een oude huisplaats, maar hoe oud is nog onbekend. Vanouds viel Amelte – evenals Schieven en Vredeveld – onder de marke Anreep en dat is te zien aan de eigenaren van de akkers op de Amelter essen.

Olde Jan en Jonge Jan bezaten ongeveer de helft van het bouwland. De rest werd gebruikt door Barent Roelofs Huizing, meijer van Albert Harders te Anreep, door Albert Harders zelf en door Crijn Scheven van Schieven.
Ook Jan Rammering te Balloo had enig bezit op de Amelter es.


Amelte in de achttiende eeuw

Tot en met 1672 vernemen we van de ‘Amelschen’, maar in dat ramjaar krijgen we de indruk dat er nog maar van één huis sprake was.
Als het waar is dat de troepen van de bisschop van Munster in dat jaar in Amelte gebivakkeerd hebben, valt daarin misschien de verklaring te vinden dat toen nog slechts één huis bewoond was. De bronnen laten ons daaromtrent echter in de steek.

In de jaren 1691 tot 1696 heetten de bewoners van Amelte Hendrik Eyten en Hendrik Roelofs. We weten niet of dit eigenaren op pachters waren, maar er werden weer twee huizen bewoond.
In 1742 woonde Albert Smeenge en Lugijs weduwe in Amelte. Het is zeker dat zij op dezelfde woonden als de eerder genoemden, want uit een registratie van tussen 1654 en 1750 nieuw gebouwde huizen uit 1750 blijkt dat er in Amelte geen nieuwe huizen waren gebouwd. Op de essen waren ten opzichte van 1654 slechts minimale veranderingen opgetreden. Kleine hoekjes ‘old woest’ waren in 1750 onder de ploeg. Ook het areaal hooi- en groenland was gelijk gebleven.

Albert Smeenge was in het laatstgenoemde jaar meijer van mevrouw Kymmel en scholte Wilm Hidding. Jan Lugijs, de zoon van weduwe Lugijs, was meijer op het goed van Roelof Sijbring, ook wel Roelof Amelte genoemd, die in Grolloo woonde. Deze bewoningssituatie bleef tot aan het eind van de achttiende eeuw ongewijzigd. Maar toen traden er wijzigingen op die het aanzien van de boerennederzetting Amelte volkomen zouden veranderen.


Amelte moest een bosgebied van allure worden

Petrus Hofstede was na de omwenteling en het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795 ambteloos burger geworden. Deze notabele ging zich nu toeleggen op de ontginning van woest gronden. Daartoe kocht hij bijvoorbeeld samen met de schulte van Rolde, Johannes Homan, de hele marke van Witten op voor een bedrag van 30.000 gulden.

De vervening van de Witter venen was het doel. Maar dat was niet alles. In de loop van de volgende jaren werd hij ook eigenaar van gronden binnen de marken van Anreep, Deurze en Nijlande. Hofstede ontwikkelde zich tot een echte grootgrondbezitter. Amelte zou een bosgebied van allure moeten worden. Houtproductie was financieel namelijk aantrekkelijk.


Hofstede kon niet beschikken over de waardelen

Er was echter eerst nog een probleem dat moest worden opgelost. Over de bestemming van zijn bezit binnen de marke van Anreep, kon Hofstede natuurlijk vrij beslissen. Anders lag dat met zijn rechten op de gemene gronden, de zogeheten waardelen, die hij binnen de marke had verworven. Zolang hier geen regeling was getroffen met de andere rechthebbenden, kon Hofstede zich slechts bezighouden met het aanplanten van bos op die grond waarvan hij wel de eigenaar was. Intussen kocht hij in gedeelten de boerderij aan waar de weduwe Smeenge met het gezin van haar zoon Roelof meijer op was.

Op 7 juni 1801 ‘heeft P. Hofstede angegeven een anpart in een plaats te Amelte, gekocht op 5 juny van de wed. Hidding te Yde, door de wed Smeenge meijerwijs gebruikt, voor F. 1275,-“. Hiermee voltooide Hofstede de aankoop van het eerste erve in Amelte. In 1804 boerde Roelof Smeenge hier nog, maar in 1807 stond het huis leeg. Tussen 1807 en 1832 is het afgebroken. Het andere huis kwam na 1807 ook in handen van Petrus Hofstede, maar het behield zijn functie als boerenbedrijf. In het Rolde “Quohier van Vaste Goederen” van 1807, een soort voorloper van het Kadater, wordt de overgebleven boerderij waar de weduwe van Harm Lugijs woonde, vermeld onder huisnummer 148




De akte passeerde ten huize van de kastelein H. Somer

Belangrijk voor het aanzien van Amelte was het jaar 1818. Toen wist Petrus Hofstede met de markegenoten van Anreep een regeling te treffen over de scheiding van de marke. De akte passeerde op 27 juli van dat jaar, “des morgens om zeven uur ten huize van de kastelein H. Somer”.

In deze akte werd met de markegenoten ook overeengekomen dat zij een weg zouden bekostigen en aanleggen, die zoveel mogelijk in een rechte lijn vanaf de Schevener brug tot op en aan de dijk van Rolde van Assen zou lopen. Deze weg is tegenwoordig bekend als de Dreesmanweg.


   

© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl