In en om Assen

Amelte periode 1800 - 1950


Het aanzien van Amelte danken wij aan Dreesman

Bron: Tijdschrift van de Asser Historische Vereniging; nummer 3 / september 1994 Een artikel van M. Th. Kraijer – Otjens





De activiteiten van Petrus Hofstede

Rond 1800 was het ontginnen van heidevelden en het aanplanten van bos onder vermogende heren een ware rage. Maar door gebrek aan kennis liep dat vrijwel altijd op een debacle uit. Dit gold echter niet voor de activiteiten van Petrus Hofstede te Amelte.
Hij was bovendien vrijwel dagelijks op het werk aanwezig en leidde zelf de werkzaamheden. De eerste aanplant door Hofstede op het land van zijn boerderij te Amelte dateert waarschijnlijk al van vóór 1807.

In dat jaar was namelijk sprake van ‘een woeste telgenhof’. Hofstede was van plan slechts een deel van het zaailand in te zaaien en de rest woest te laten. De boerderij werd dan ook niet verpacht. Begin 1810 werd Hofstede tot Landdrost van Overijssel benoemd, waardoor hij zijn activiteiten in Amelte staakte. Pas toen hij tot Gouverneur van Drenthe was benoemd en in 1817 huize Vredeveld vlakbij Amelte had kunnen kopen, hernam hij ‘zijne ontginningen in den omtrek met nieuwen ijver’.

Het jaar daarop werd Hofstede enig eigenaar van alle markegronden in Amelte en Vredeveld door uit de marke van Anreep, Amelte en Schieven te treden. Tevoren had hij ook de andere twee erven te Amelte verworven, zodat hij vanaf 1818 alle land ten noorden, zuiden en oosten van huize Vredeveld bezat. Zijn bezittingen in Witten had hij toen overgedragen aan zijn zoon Coenraad Wolter Ellents.


Het landgoed rond 1832

De kadastrale kaarten en bijbehorende registers geven een beeld van de activiteiten van Hofstede. Amelte ten noorden van de huidige weg Assen – Rolde was toen bijna helemaal bebost. Het meest opvallende was de fraaie stervormige lanenstructuur in het westelijk deel, die doet denken aan die van het Asserbos. Ook ten zuiden van de huidige provinciale weg lag in die jaren een groot boscomplex, aansluitend bij de oude boompartijen van het voormalige gehucht.

Er lagen in dat deel nog een paar akkers en verderop was de heide van Amelterveld. De oevers van het Amerdiepje en van de waterlozing in het noorden waren in 1832 nog gemeenschappelijk bezig: kennelijk waren deze natte hooilanden niet interessant voor Hofstede. Dichter bij Vredeveld bezat hij wel enige grote weilanden.
Een deel van Vredeveld was ook al bebost, maar het Aardscheveld bestond nog geheel uit heide. In Amelte was één behuizing blijven staan.


Het einde van het tijdperk Hofstede

In 1832 verliet Hofstede Drenthe en zijn mooie landerijen in Vredeveld en Amelte om zijn oude dag in de stad Groningen door te brengen. Huize Vredeveld werd verkocht en na de dood van Hofstede in 1839 werd ook het merendeel van zijn grondbezit geveild.
De percelen die later het landgoed Amelte zouden vormen, bleven voorlopig in de familie, omdat drie kinderen van Hofstede – Wolter Hendrik, Gezina Oldenhuis en Maria Lamberdina – samen fl. 17.618, 68 boden voor de helft van het eigendom.

Het bezit werd bij het kadaster overgeschreven op naam van Gezina Oldenhuis Hofstede en na haar door in 1860 op naam van de oudste zoon van Wolter Hendrik, Petrus Hofstede. In die periode bracht het werk van de oude Hofstede reeds het nodige geld op.
Zo werd in 1841 een aantal bijna veertigjarige eiken verkocht voor fl. 36.000,- . Een telling van de tussen 1825 en 1851 in de krant te koop aangeboden eiken levert 1000 eiken uit Amelte, tegen 250 uit Vredeveld en 800 uit het Asserbos. Hofstede had trouwens niet alleen eiken geplant, maar ook dennen, voornamelijk in het noordelijke en westelijke deel van Amelte.


Amelte als jachtgebied

Eind jaren zeventig ging het landgoed definitief in andere handen over. De nieuwe eigenaar van de ruim 75 hectare grond werd John Francis Loudon uit ’s-Gravenhage. Hij verkreeg het 11/12-de eigendom van Amelte voor fl. 66.000,-. Het resterende 1/12-de deel was kort daarvoor verkocht aan Mr. Wouter Lucas van den Biesheuvel Schiffer, een goede bekende van Petrus Hofstede junior.




Er werd gejaagd op hazen, houtsnippen, patrijzen en korhoenders

Loudon, rijk geworden door de exploitatie van tinerts op Billiton in Nederlands Indië, liet de oude boerderij van het landgoed afbreken en bouwde een klein jachthuis, dat tevens diende als woning voor de boswachter. Bij het jachthuis kwamen hondehokken – waarschijnlijk voor de jachthonden – en voorzieningen voor het kegelspel met een boomgaard aan weerszijden. Verder werden er paden aangelegd en waterpartijen gegraven, al met al enig winters werk. De leiding bij deze werkzaamheden had Schiffer, die Amelte bijna dagelijks bezocht vanuit zijn pas gebouwde ‘kasteeltje’ Nijenrode bij het spoorwegstation van Assen. Sinds hij in 1877 als procureur-generaal bij het Asser gerechtshof op wachtgeld was gesteld, had hij daar alle tijd voor.

In deze tijd werden op het landgoed jachtpartijen georganiseerd, waaraan naast John Francis Loudon ook diens broek jonkheer James Loudon, voormalig Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, zal hebben deelgenomen. De gasten van Loudon zullen graag naar Amelte zijn gekomen om er te jagen op hazen, houtsnippen, patrijzen en korhoenders.

Hoe rijk de fauna in Amelte en omgeving in die dagen was, blijkt uit een bericht in de Provinciale Drentsche en Asser Courant:

“In de jachtvelden van de heeren Schiffer en Loudon, in de nabijheid dezer plaats, zijn gedurende den laatsten herfst en winter verscheidene wezels en bunsings gevangen, en behalve een aantal Vlaamse gaaijen (schreeuw-eksters), eksters en reigers, grootendeels door den opziener Boersma, een twintigtal valken geschoten. De versieringen van vlerken en klauwen, in zijne woning aangebragt, leveren daarvan het bewijs. Gister had hij het geluk in Amelte een prachtige steenmarter te schieten, die 75 cm lang is”.


Amelte onder de hamer

Het is niet duidelijk waarom Loudon en Schiffer in 1889 hun bezit te Amelte verkochten. Landgoed en jachthuis werden openbaar geveild en enige dagen later kwam ook de inboedel van het jachthuis onder de hamer: een paardentuig, wapenrekken, mahoniehouten boekenkasten, canapés, een badkuip, een chiffonnière (een hoge ladenkast), een servies etcetera.

Schiffer kocht verscheidene voorwerpen. De advertentie voor de verkoping van het landgoed was zakelijk. Over waterpartijen werd niet gesproken, wel over renderend landgoed met zware dennenbomen, geschikt voor heipalen, en enige duizenden zestig- á zeventigjarige eiken. Speciaal vermeld werd de nabijheid van het spoorwegstation en het kanaal. Voor fl. 29.349,34 kwam het landgoed in handen van de broers Nicolaas Gerhard en Wicher Onco Servatius, de één gepensioneerd kapitein ter zee en de ander tot voor kort notaris te Dwingeloo.

Al een half jaar later nam Mr. Hendrik van Lier, notaris te Assen, een gedeelte van de eigendom over, in 1891 nog eens een gedeelte. Kort daarop overleden beide heren Servatius en het is dan ook niet verbazingwekkend dat het landgoed in 1898 opnieuw te koop werd aangeboden.


De eiken waren in tien jaar zeker twintig jaar dikker geworden

“Bossen met fraaie wandelingen en riante waterpartijen”, stond er in de advertentie, maar ook “zeer zware en minder zware dennenbomen, enige duizenden 80- en 100-jarige eiken”. Die bomen waren in tien jaar dus zeker twintig jaar dikker geworden!
Eigenaar werd voor fl. 39.000,- Rijk de Haan, wagenmeester buiten dienst in Nederlands-Indië. Hij deed een aanbetaling van fl. 14.000,-De rest zou voor 1 november van dat jaar volgen.

De Haan betrok onmiddellijk het jachthuis en verleende recht van opstal aan Arnold Passman, een houthandelaar uit de buurt van Ruhrort. Kort daarop zette De Haan zijn eigendom om in een naamloze vennootschap, maar toen was hij al weer uit Assen vertrokken. Het terrein dat ruimt twee jaar later voor fl. 16.000,- werd verkocht, bestond toen grotendeels uit gekapt bos, hakhout en boomwallen. Er was één perceel jonge dennen en verder wat bouw-, groen- en hooiland.

De boomgaard bij het jachthuis was gespaard. Jan van Wageningen, hotelhouder te Rolde, was bij inzet met een bod van fl. 1962,50 de hoogste bieder op het jachthuis, maar het uiteindelijke bod van Mr. Hendrik Jan Berendszoon Carsten viel hoger uit.
Carsten, advocaat-procureur was zojuist uit Assen vertrokken naar de omgeving van Den Haag, maar bleef percelen en panden in Assen aan- en verkopen. In 1903 kon hij bijna vijf hectare van Amelte verkopen aan Frederik Emmink, toen tolmeester te Deurze, die daar eerst een schuur en in 1905 een huis neerzette (nu Amelte 20). De rest verkocht hij op 23 oktober 1903 voor fl. 14.980,15 aan de 24-jarige Engbertus Dreesman, particulier landmeter en landbouwdeskundige, op dat moment wonend in Smilde.




Het ontginningswerk van Dreesman

Dreesman pakte het werk op het landgoed voortvarend aan.
Nog in 1903 werd hakhout verkocht en in het volgende voorjaar begon men de zware stobben uit de grond te halen en het land te ploegen.
Het was een enorm karwei, dat vele jaren in beslag nam en waarvoor Dreesman ieder jaar een groot aantal mensen aan het werk had.

De opzet was om van Amelte één groot modern landbouwbedrijf te maken waar nieuwe ideeën konden worden uitgetest.
Zo werd naast de grote boerderij een bijzondere ronde koestal gebouwd en diende het jachthuis enige tijd als pluimveefokstation.
Dreesman zelf ging de eerste twee jaar in de kost bij het jonge boomkwekersgezin Schuilenburg (nu Amelte 18) tot zijn grote boerderij klaar was (nu Amelte 15).


Het jachthuis brandde in 1916 af

Het ene grote bedrijf rendeerde echter onvoldoende. Daarom bouwde Dreesman in 1910 een tweede boerderij (nu Amelte 24). Korte tijd daarna verbouwde hij een schuur bij de grote boerderij tot woonhuis (nu Amelte 13). Beide werden met de omliggende grond verpacht.
Toen het jachthuis in 1916 afbrandde, werd op ongeveer dezelfde plaats een kleine boerderij gebouwd (nu Amelte 26).

Dreesman zelf woonde sinds 1909 niet meer in het voor hem bestemde gedeelte van de grote boerderij, maar aan de Beilerstraat bij zijn oude vader en zijn zusters. Pas in 1924 liet hij een eigen huis op het landgoed bouwen (nu Amelte 22). Daar woonde hij als vrijgezel tot zijn huwelijk in 1930 met Henderkien Schaap-Geertsema. Dreesman overleed in 1971 op 91-jarige leeftijd in zijn huis te Amelte. Zijn vrouw stierf bijna drie jaar later. Daarmee verdween de familie Dreesman uit Amelte. De boerderijen en een gedeelte van het land werden successievelijk verkocht. Aan de agrarische functies van de boerderijen kwam grotendeels een einde.


Het huidige aanzien van Amelte danken wij aan Dreesman

Het huidige aanzien van Amelte danken we aan Dreesmans belangstelling voor historie en traditie. Langs de paden waren nieuwe eiken en beuken geplant en op de overhoeken had hij bos aangelegd. De tumuli en het schansje van Galen werden daarbij zorgvuldig gespaard. Zo was een situatie ontstaan die hopelijk tot in lengte van jaren behouden zal blijven.

 


© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl