In en om Assen

De schans van Bommen Berend in Amelte


De legerplaats domineerde de omgeving

Bron: Een verhaal van W.L. Schiffer; publicatiejaar 1883



Poepenhemeltje blijkt geen oude schans. Info op RTV Drenthe d.d. 12 oktober 2010

Het poepenhemeltje vlakbij Assen is geen oude schans uit de tijd van Bommen Berend. Dat blijkt uit onderzoek van de Grontmij dat is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Assen.

Al jaren vechten de raadsleden Luc Rengers van Assen en Arie Fonk van Aa en Hunze voor erkenning van het gebied tussen Assen en Rolde als belangrijke strategische plek, maar volgens het onderzoek klopt daar niets van.
Fonk heeft z'n bedenkingen over het rapport dat is uitgekomen. Volgens hem heeft het veel te lang geduurd en hebben verschillende partijen zich met de inhoud bemoeid.

Bekijk hier de reportage van RTV Drenthe



De waarnemingen van W.L. Schiffer

Grafheuvels in Amelte

Het landgoed Amelte, gelegen in de nabijheid van Assen, aan den straatweg naar Rolde, wordt door mij schier dagelijks bezocht.
Het heeft dan ook voor hem, die gevoel heeft voor natuurschoon, onbegrijpelijk veel aanlokkelijks; want, ofschoon hetgeen men daar aanschouwt, in hoofdzaak door ’s menschen hand is tot stand gebracht, heeft de natuur daarbij zoo krachtig geholpen, dat men hier en daar in twijfel staat, of niet die geheele schepping alleen haar werk is.

Die plek is bovendien rijk aan herinneringen uit lang vervlogen tijd. Om van in den omtrek gevonden bewijzen van der Romeinen tegenwoordigheid niet te gewagen, vindt men aan de zuidzijde der eikenbosschen verscheidene oude begraafplaatsen, heuvels, algemeen onder den naam tumuli bekend. Zoo ligt daar een groot graf, vermoedelijk van een stamhoofd of krijgshoofd, door een krans van kleinere graven omgeven. In het volgende lied op Amelte, heb ik daarop gedoeld, toen ik er op wees, dat “Rod’rik’s blonde krijgers” “hun heuvelgraven welfden”, enz.


Berend van Galen

Ik sprak daarin ook van “Munsters Bisschopsvendel” enz. Deze aanduiding eischt eenige omschrijving. Ik vernam namelijk in der tijd, uit de mond van bejaarde bewoners uit den omtrek, dat in de nabijheid van eene vierkant, door grachten omgeven hoogte, welke in het noorden van Amelte wordt aangetroffen, de legerplaats zoude geweest zijn van Berend van Galen. Op mijne vraag, van waar hun dit bekend was, werd mij geantwoord, dat zij dit van hunne ouders hadden vernomen. Het bleek tevens, dat niemand hunner wist, wie, of wat die Berend van Galen was geweest, noch met welk doel hij met eene legermacht in Drenthe zoude zijn gekomen.

Die onbekendheid waardoor de gedachte aan eigene opsiering geheel werd buitengesloten, gaf mij de overtuiging, dat ik te doen had met een geschiedkundig feit, hetwelk door mondelinge overlevering bekend of liever bewaard was gebleven. Het spreek van zelf, dat mijne ingenomenheid met Amelte mij aandreef tot onderzoek. In het binnenland vond ik verscheidene smaad- of schimpschriften, door partij- en goedsdienshaat tegen dien krijgshaftigen Bisschop ingegeven, maar voor mijn doel niets. Ik zeide daar: krijgshaftigen Bisschop, want niemand zal er wel aan twijfele

Ik wendde mij toen naar het buitenland en door de medewerking van den door mij zoo hooggeschatten kundigen pastoor Brenninkmeijer; van wiens medewerking in dit jaarboekje wij nog zooveel hadden verwacht, gelukte het de tijdelijke beschikking te erlangen over eene levensbeschrijving van dien Bisschop, waarin ik, tamelijk onverwacht, heb gevonden, wat ik zocht.


Het doel was de schans van Bourtange

Ik zeg tamelijk onverwacht; want ofschoon men van belegering, inneming of ontzet van vestingen zeer omstandige verhalen in werken van dien tijd kan aantreffen, wordt doorgaans over de bewegingen der verschillende legers slechts zeer vluchtig heengegaan.
Ik vond dan, in substantie, het volgende:

In 1670 trok bedoelde Bisschop met eene legermacht over Meppel noordwaarts, met het doel, de schans te Bourtange te berennen. Toen zijne voorhoede te Vries was gekomen, ontdekte zij, dat de Groningers aan de Hoendiep versterkingen hadden opgeworpen, en zich gereed maakten het leger des Bisschops den overtocht te betwisten.


De voorhoede trekt zich terug

Nadat daarvan aan den Bisschop bericht was gezonden, beval hij den terugtocht der voorhoede en wendde hij zich oostwaarts, ten einde over Zuidlaren zijn tocht voort te zetten, hetgeen dan ook is geschied. Zietdaar, de eenvoudige feiten. Voor de mogelijke lezers buiten Drenthe, zij opgemerkt, dat in die beschrijving van Assen geen gewag wordt gemaakt, doordien toen wel het klooster Maria in de velden of ten velde (Maria in Campis), maar Assen, als plaats, dorp of gemeente, niet bestond.


De heirweg was een mulle zandweg

Nu – wanneer ik mij mag veroorloven die uitdrukking te bezigen – mijne strategische toelichting. Uit den marsch over Meppel en Vries naar de provincie Groningen blijkt, dat in die richting de groote heirweg liep. Vele, nog levende personen, hebben dien weg nog onbestraat gekend, hij was hier en daar een mulle zandweg.

Bedenkt men nu daarbij, dat men in dien tijd een langen legertros van krijgs- en mondbehoeften medevoerde, dan is het niet twijfelachtig, dat het gros van het leger nog niet verder dan bovenbedoeld klooster gevorderd was, toen de voorhoede Vries bereikte.
Men vergete bovendien niet, dat hier natuurlijk spraak is van de uiterste voorhoede, welke op verkenning of kondschap uit was.


Men legerde zich

Bij dat kennelijk geheel onverwacht beletsel, konde men niet zoo eensklaps, gelijk men dat thans noemt: van directie veranderen.
Het gros maakt halt, voorhoede en achterhoed met nasleep werden ingewacht. Men legerde zich. Volgens de gewoonte van die dagen legerde men zich niet zonder legerplaats, zij het dan ook somtijds slechts in geringe mate, te versterken.

Op oude platen en kaarten, kan men de gedaante dier versterkingen zien aangegeven. Doorgaans groef men op bedreigde punten, een vierkant uit, wierp de uitgegraven aarde naar binnen, waardoor dat terrein werd verhoogd, plaatste daarop een paar slangen of veldstukken en bedekte den rand met schanskorven, aan de achterzijde bleef een smalle toegang bestaan.
Hetgeen in Amelte wordt aangetroffen beantwoordt volkomen aan die beschrijving.


De legerplaats domineerde de omgeving

Bovendien was de legerplaats daar uitnemend gekozen. Aan de noordwest- , noord-en noordoostzijde (alles dus naar de provincie Groningen gekeerd) maakte de natuurlijke toestand der gronden de nadering zeer bezwaarlijk. Zij lag bovendien op een zeer hoog terrein, hetwelk de omgeving domineerde en bestreek den toenmaligen weg naar Zuidlaren, welke men wilde volgen. Men bedenke wel, dat de tegenwoordige weg met brug niet bestond.

Die weg, welke eerst later, toen de provincie eigenaresse daarvan werd, is bestraat, werd eerst in 1819 of 1820 door den toenmaligen eigenaar van Amelte op Ameltergrond gelegd. In vroeger tijd bestond daar geen weg en geen berijdbare brug over het diep; men reed er doorheen, iets noordelijker dan de tegenwoordige straatweg; en nu ligt het in stand gebleven werk juist in de nabijheid van die plaats van overgang!


De Bisschop bezocht de kerk in Norg

Maar dat werkelijk door het Bisschoppelijke leger eene legerplaats werd betrokken, is mij nog uit iets anders daghelder gebleken.
In bewust levensbeschrijving, kennelijk door een geestelijke samengesteld, komt iets voor, hetgeen nagenoeg ieder ander schrijver, als voor hem van geene beteekenis, zoude zijn voorbijgegaan, maar hetwelk merkwaardig mijne stelling steunt.

Er wordt namelijk in vermeld, dat de Bisschop bij die gelegenheid in de (nog bestaande) kerk te Norg de Mis heeft gecelebreerd.
Daaruit blijkt, dat hij na zijn halt houden, toch minstens een etmaal lang, zich hier in de omgeving moet hebben opgehouden.
Nu ik toch eenmaal aan eene soort van verantwoording van het door mij gezegde bezig ben; - nog iets;




De benden werden met veldstukken begroet

Ik sprak ook van ‘het buldren der kartouwen’. Dit is ook niet, hetgeen men noemt, eene dichterlijke vrijheid. Het doel van des Bisschops tocht was den Groningers blijkbaar onbekend. Zij betwistten hem verderen doortocht, maar hun voornemen was volstrekt niet, zijn marsch juist Bourtange te beletten; immers uit niets is mij gebleken, dat zij later die schans zijn te hulp gesneld.

Wat is nu natuurlijker, dan dat de Groningers, na dien terugtocht van den Bisschop uit Vries, getracht hebben voeling met zijne legermacht te houden, dat is, benden op verkenning hebben uitgezonden. Die kwamen noodzakelijk van de zijde van Groningen, en nu komt het mij tamelijk zeker voor, dat die benden, bij hare nadering over de tegenwoordige Loonerheide, uit de legerplaats van den Bisschop met veldstukken zullen zijn begroet.

Men zal mij bovenstaande toelichting ten goede willen houden; ik wilde beletten, dat men aan mijne vooringenomenheid met Amelte toeschreef, het vermelden van feiten, waarvoor ik niet goede gegevens had.
Bovendien, hoe onbeduidend de zaak ook op haar zelve moog zijn, ik heb toch in allen gevalle in het bovenstaande geschreven een stukje oude Drentsche historie

 

© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl