Assen, ontstaan en opkomst
De slag bij Ane vormde de opmaat
Bron: "Assen, ontstaan en opkomst, juli 1882; Lucas Oldenhuis Gratama [1815 - 1887]
Gratama vertelt:
Bij giftbrieven van Keizer Hendrik 2 van 5 januari 1024 en van Koenraad 2, Roomsch Koning, van 26 juli 1025, werd het graafschap Drente aan de kerk te Utrecht geschonken.
In de 12e en 13e eeuw hadden reeds vele Utrechtsche bisschoppen moeite om de Drenten, die sterk op hunne regten stonden, en van wie men zegt, dat ze goede onderdanen, maar slechte slaven waren, in bedwang te houden.
Onder anderen leed Otto 2, bisschop van Utrecht, den 1e augustus 1227 eene groote nederlaag tegen den ridderlijken Rudolf van Koevorden zoodat bisschop Otto en de zijne legerbenden erbarmelijk omkwamen.
Dit geschiedde op de Bommeriete bij Ane.
Info op bertsgeschiedenissite.nl
Slag bij Ane
Aanleiding
In 1226 was er een vete ontstaan tussen heer Rudolf van Koevorden en de Groningse burggraaf Egbert, beide vazallen van de bisschop Otto II van der Lippe van het Sticht. Het lukte de bisschop echter niet om beide heren te verzoenen. Bovendien lukte het hem niet om ook maar een enkele tiende van de Drentse boeren te innen. Rudolf van Koevorden joeg Egbert Groningen uit, maar deze wist op zijn beurt met bevriende Friezen Rudolf van Koevorden van zijn grondgebied te verjagen. Niet lang daarna kwam Rudolf terug met een leger Drenten om Groningen te belegeren. Ten einde raad vroeg de burggraaf de bisschop om hulp.
Deze riep daarop in 1226 diverse edelen op om het oproer neer te slaan en zijn macht aan de boeren te laten zien. De graven van Holland, Gelre, Bentheim en Kleef boden de helpende hand, alsmede de heer van Amstel. In de zomer van 1226 verzamelde een grote strijdmacht zich bij kasteel Heekeren bij Goor. Aanvoerder was heer Rudolf van Goor, een boom van een vent. In de zomer van 1227 trok de uitgelezen ridderschaar Drenthe binnen. Zij zouden dat armzalige troepje boeren wel even een lesje leren. Ondertussen wachtte Rudolf van Koevorden met zijn legertje rustig af. Hij kende het terrein op zijn duimpje en lokte de geallieerde ridders steeds verder het moeras in.

In de pan gehakt
Op 1 augustus 1227 liep het zwaar bepantserde ridderleger bij het Overijsselse buurtschap Ane, toen niet meer dan een paar hutten op een es, vast in het drassige terrein. De paarden konden niet meer voor- of achteruit! Rudolf van Koevorden vond nu de tijd rijp om toe te slaan en hakte met zijn legertje boerensoldaten uit Koevorden het ridderleger in de pan. Zowel vrouwen als mannen maakten korte metten met de weerloze ridders. De slachting duurde de hele dag. Vijfduizend ridders zouden toen het leven hebben verloren volgens de kronieken, al zal dat getal zal wel wat overdreven zijn. Bisschop Otto II van der Lippe werd op wrede wijze vermoord door hem voorover in de modder te late stikken. Vervolgens werd zijn geschoren kruin als trofee gevild. Ook zijn broer vond de dood. Graaf Gerhard IV raakt slechts in gevangenschap. Men is zijn betoonde vriendschap in de oorlog van 1225-1226 niet vergeten. Rudolf van Koevorden toonde zich een ware ridder door hem vrij te laten, zodat hij deel kon nemen aan de verkiezing voor een nieuwe bisschop. Gerhard IV moest wel op zijn erewoord beloven zich na de verkiezing weer in gevangenschap te begeven. Op een "rosbaar", een draagstoel door twee paarden gedragen, werd hij gewond en ziek naar Utrecht gebracht. Samen met Floris IV van Holland kreeg hij Wilbrand van Oldenburg op de bisschopszetel.
Deze was een neef van zowel de graaf van Gelre als bisschop Engelbert I van Keulen. In 1223 volgde Wilbrand zijn broer Lodewijk op als proost van Zutphen. Deze functie zou hij tot 1225 uitvoeren. Tegelijkertijd was hij domproost van Utrecht en domproost van Hindesheim. In 1225 werd hij benoemd tot bisschop van Paderborn. De nieuwe bisschop ontsloeg Gerhard IV van zijn belofte aan heer Rudolf. Iemand die een bisschop mishandelt en vermoordt komt immers geen trouw toe. Graaf Gerhard IV's ridderplicht werd hierdoor gedwarsboomd, maar erg rouwig was hij er niet om.

Verraad in Hardenberg
Wilbrand van Oldenburg voerde nogmaals een leger aan naar het noorden, maar ook ditmaal tevergeefs. De bisschop bood vervolgens Rudolf van Koevorden een vrijgeleide aan, zodat hij in Hardenberg aan de onderhandelingstafel kon verschijnen. Ook nu weer liet de bisschop blijken dat een gegeven woord aan opstandelingen niet gold. Toen Rudolf van Koevorden in Hardenberg verscheen werd hij op verraderlijke wijze gevangen genomen, geradbraakt en als afschrikwekkend voorbeeld opgespiest tentoongesteld aan het volk. Dit zou tegen de wil van de bisschop zijn geweest, maar dat was waarschijnlijk alleen bedoeld om zijn naam te zuiveren. In Drenthe zou de bisschop voortaan alleen nog maar in naam zijn invloed laten gelden. De Drentenaren kregen steun van de heer van Borculo, die met de erfdochter van Koevorden trouwde. Later zou deze ook burggraaf worden en door bisschop Otto III van Holland worden erkend.
Plaats van de slag
De slag tussen de Drentenaren en het bisschoppelijk leger op 27 juli 1227 staat bekend als de slag bij Ane. In Ane is een gedenksteen opgericht om te herinneren aan het feit dat in die plaats de beruchte slag heeft plaatsgevonden. Momenteel bestaat echter sterke verdeeldheid over de plaats waar de slag heeft plaatsgevonden. De strijd zou niet bij Ane hebben plaatsgevonden, maar veel dichter bij Coevorden, waarschijnlijk zelfs op Drents grondgebied over de Kleine Vecht nabij het buurtschap De Kleine Scheere. Het klooster Beate Maria in Campis, dat waarschijnlijk op dezelfde plaats heeft gestaan als het latere huis ten Clooster, werd waarschijnlijk gebouwd op de plek waar bisschop Otto II van der Lippe en de zijnen de dood vonden op het landgoed dat door Picardt de Mommerijten werd genoemd.
Gratama vertelt verder:
De stichting van het klooster
Het gelukt Otto 3 in 1233 eindelijk door het uitrusten van eene voor die tijden ontzaggelijke legermagt den Drenten vrees aan te jagen, zoodat zij in onderwerping kwamen; de bisschop stelde echter tot voorwaarde, om een klooster te stichten ter plaatse waar Otto 2 en zijne krijgslieden waren omgekomen.
Daar het in die moerassige streek niet kon worden gebouwd, werd daarvoor bestemd eene plaats in de nabijheid van Koevorden aan de Aa tusschen Koevorden en Schoonebeek; daar was het eenige jaren, maar niet veilig voor overstroomingen.
Daarom werd het verplaatst naar Duurse onder Rolde aan het Duurserdiep, ter plaatse waar nu de landbouwer Lubbers woont (eigenaresse wed. Joling) zijnde eene boerderij vroeger en nog gedeeltelijk met grachten omgeven en het Hof genaamd (Piccardt vermeldt dit in zijne Chronijk; de acte van aankoop bij de abtdis van het convent van de Heilige Maria bij Coevorden van de landhoeve met den molen, waarvan nog de grondslagen in het Duurserdiep zijn gevonden, wordt vermeld bij Magnin, Kloosters van Drenthe. Ook is bij Duurserdiep nog een stuk land genaamd ‘molenstuk’).
Info op wikipedia.nl
Landgoed Kamps
Het voormalig landgoed Kamps (voorheen geschreven als 'Camps') ligt op ongeveer vijf kilometer afstand ten oosten van Assen, nabij Deurze, en is ongeveer 25 ha. groot. Het grenst aan het natuurgebied in Ballo, genaamd Kampsheide (voorheen 'Campsheide'). Het landgoed speelt een rol in de geschiedenis van het Asser cisterciënzer nonnenklooster 'Mariaaskamp' (ofwel: Maria in Campis), en daarom tevens in de geschiedenis van het ontstaan van de stad Assen.
De landerijen die behoren bij het huis ’Te Campen’ komen echter steeds onder water te staan, waardoor deze verre van vruchtbaar zijn. In verband daarmee vindt er een ruiling plaats tussen de abdij en de Graaf van Bentheim. In de akte lezen we het volgende:
31 oktober 1259: Otto, Graaf van Bentheim keurt goed: de overdracht door Hako, zoon van wijlen Stephanus de Hardenberg, ridders, aan de St. Maria-abdij bij Couordia (Coevorden) , van de hof en de molen te Durse (Deurze) (...) in ruil voor het huis der Abdij Te Campen bij Couordia, door haar verkregen van Johannes Camping.
De hof in Deurze was in het jaar 1259 een landgoed met een – voor die tijd – aanzienlijke landhoeve en zoals gebruikelijk behoorde bij een aanzienlijke behuizing een eigen watermolen, die heeft gestaan op De Meulmaet. Daarnaast hebben ook landerijen en bossen tot het geruilde behoord. In een kwestie tussen de abdij van Assen en de kosterie van Rolde is het volgende te lezen:
29 november 1357: Alef van Assen (Cureit van Rolde) en Diderich Diderixzone Maes, koster aldaar bewerken een zoen tusschen de Abdij te Assen en de kosterie van Rolde, zoodat de Hofwaer en de Bullenwaer te Durse, tegen betaling eener geldsom, worden vrijgesteld van de opbrengst van klokrogge aan de kosterie. Met medebezegeling door ’t land van Drenthe.
Ook op deze plaats in Deurze is geen klooster gebouwd, dat mag, na het onderzoek door professor A.E. van Giffen als zeker worden gesteld. De hof van Deurze heeft een jaar of tien, net als het huis der abdij Te Campen, tijdelijk als kloostergebouw gefungeerd. Het door de Drenten te bouwen klooster "Maria in Campis" is uiteindelijk in het huidige Assen gebouwd, waar het tot op de dag van vandaag is te zien. De bouw van het klooster heeft plaatsgevonden tussen de jaren 1260 en 1270. In het jaar 1270 komen namelijk de eerste oorkonden uit de Assense abdij.
INFO OP HISTORIEK.NET D.D. 12 JANUARI 2011. EEN ARTIKEL VAN LILIAN AHLERS
MIDDELEEUWSE WATERPUT GEVONDEN BIJ DRENTS MUSEUM
BOUWVAKKERS ZIJN BIJ WERKZAAMHEDEN BIJ HET DRENTS MUSEUM IN ASSEN OP RESTANTEN VAN EEN MIDDELEEUWSE WATERPUT GESTUIT. HET GAAT OM HOUTEN BALKEN EN STENEN, DAT HEEFT HET MUSEUM BEKENDGEMAAKT.
De provincie Drenthe denkt dat de waterput stamt uit de dertiende eeuw, toen er op de plek van het huidige museum een Cisterciënzer klooster stond. Provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden gaat met een team amateurarcheologen van de Stichting Archeologie en Monument (SAM) onderzoek doen naar de opgraving en kijken of er nog meer wordt gevonden.
Het Drents museum is momenteel gesloten omdat bouwvakkers bezig zijn een ondergrondse doorgang te maken tussen het oude museum en een nieuwe tentoonstellingsvleugel. Zolang het onderzoek duurt worden de werkzaamheden stilgelegd. Daarna wordt duidelijk wat er met de vondst gebeurt.
Het Cisterciënzer klooster 'Maria in Campis' werd in 1260 van Rolde naar de plek 'Hassen' verhuisd. Bij een brand in 1418 werd het klooster met de kerk en klokkentoren verwoest. Drie jaar later werd weer begonnen met de opbouw. In 1460 werd het klooster opgenomen in de broederschap van de orde der Trinitariërs, die met name christelijke gevangenen of slaven uit de handen van moslims probeerden te houden.
Na de reformatie kwam er een einde aan het klooster en werden de bezittingen door de provincie in gebruik genomen, waardoor Assen de hoofdstad werd van Drenthe. Op de plaatst van het provinciehuis kwam in 1885 het Drents Museum.
Gratama vertelt verder...
Eppo, Abt te Aduard
Maar ook daar had men last van het water, zoodat het in 1254 werd verplaatst, zoals in de gedenkschriften van de abdij Mariengaarde, ortus (hortus) Sancte Marie, gezegd wordt naar “eenzaam oord onder Rolde’s parochie vroeger Hassen genoemd, waarvan de naam Assen is gekomen”.
Deze verplaatsing was gegrond op eene vergunning van bisschop Hendrik te Utrecht van maart 1252, welke Hendrik was de 3e bisschop na den gesneuvelden Otto.
Zoo kwam dan in 1258, ook door medewerking van Eppo, Abt te Aduard, hier ter plaatse, waar nu Assen is, een klooster van de orde der Cistereiënsers, gewijd aan de Heilige Maria ten kampen (in campis) Maria’s kamp (bij Kok, Vaderlandsch woordenboek op het woord Clarus Campus wordt gezegd, dat de naam afkomstig is van Clara, de stichtster van het klooster).
Van weinig plaatsen kan de oorsprong zoo duidelijk en zoo geschiedkundig door charters gestaafd worden opgegeven als dat van Assen.

Een eenzaam oord
Het klooster werd gebouwd in de marke van Witten, behorende tot het kerspel Rolde; die marke was zamengesteld uit een gedeelte van het broekachtige Bosch, het Geelbroek (ook thans nog onder dien naam bekend), dat voor een klein gedeelte tot de marke van Halen behoorde en voorts uit alle gronden, welke tusschen de marke van Duurse en die van Loon, Peeloo, Zeijen, Zuid- en Westerveld, Norg, Halen en Hijken waren gelegen.
Op weinige uitzonderingen na, behoorde de marke van Witten geheel aan het klooster, wat er aan ontbrak, heeft het door aankoop en ruiling in de 14e eeuw gekregen.
Vooral van de kommanderij der Duitsche orde, ook genoemd het Duitsche Huis der heilige Maria te Bunne, welke tot dien tijd toe eene hoeve in Witten had behoord.
Het klooster had 'den vierden voet'
Het klooster bezat tijdens zijnen grootsten bloei, behalve eenige losse landerijen, in onderscheidene kerspillen in het landschap, 39 boerenerven, met inbegrip van Witten, uit 9 bouwhoeven bestaande (In 1796 werd Witten door den staat verkocht aan Mr. P. Hofstede voor 32.415 gulden, hieronder was natuurlijk niet het veen of dat gerekend werd daartoe te behooren, ‘tgeen, bij de oprigting der burgelijke gemeente Smilde, van Rolde werd afgenomen en aan de Smilde werd toegevoegd).
En voorts met de daaronder behorende landen, velden en veenen.
Het klooster te Assen had, met hetgeen daaronder behoorde 'den vierden voet' d.i. eenvierde gedeelte der stemmen en verdere aangelegenheden in het kerspel Rolde en betaalde eenvierde gedeelte in de kerkelijke kosten aldaar. Of het ook tot de wereldlijke lasten bijdroeg, blijkt niet, maar is niet waarschijnlijk, althans in de eerste tijden omdat Geestelijke stichtingen van het dragen van wereldlijke lasten toen meestal verschoond waren.
Na de overheersching van't landschap door Karel van Egmond, Hertog van Gelre en onder de vorsten uit het Oostenrijksch-Bourgondische huis (1522 - 1592) moest echter het klooster te Assen evenals andere conventen ook in de wereldlijke lasten betalen.
In 1515 liet George, Hertog van Saksen, het met vestingwerken omgeven en met krijgsvolk bezetten in een oorlog met Graaf Edzard van Oost-Friesland toen hij een aanslag op Groningen wilde doen.
Dit gebeurde nog eens in den Gelderschen oorlog.
De kerk was strikt ten dienste van de kloosterlingen
De conventualen hadden te Assen eene kloosterkerk tot het verrigten van hunne godsdienstpligten en godsdienstige werkzaamheden, doch die kerk was strikt ten dienste van de kloosterlingen alleen.
Allen, die niet tot het convent behoorden en op de eigendommen van het klooster woonden, waren wereldlijk en kerkelijk onder het kerspel Rolde, waar zij parochiëeerden, hun getal was gering; het bestond alleen uit de bewoners der erven te Witten en uit die van 3 boerenerven te Assen, welke ten dienste der kloosterlingen door wereldlijke personen bebouwd werden.
Die drie erven maakten te zamen met inbegrip van het klooster en van de daaraan gelegen tuin- en boschgronden, een onafgebroken geheel uit, dat omstreeks het jaar 1600 de marke van Assen werd geheeten en onder Rolde behoorde.
Volgens de overlevering stonden die drie boerenerven ter plaatsen, waar thans de huizen van den heer Mr. A. ten Oever in de Kloosterstraat, van den heer E. A. Smidt aan den Brink en van den heer Alex Meijer staan.
Na de secularisatie of wereldsche-verklaring van het klooster in 1603, werden de wegen tot het klooster toegang gevende, verbeterd en werd een gedeelte van het gebouw ingerigt tot vergadering van het landschapsbestuur.
De noodzaak voor onderwijs
Hiervan was het gevolg, dat er verschillende personen aldaar kwamen wonen, waaraan in 1638 grond werd afgestaan tegen een zeker canon aan ’t landschap te betalen, van welke canon, hoezeer meerendeels afgekocht, nog eenige zijn overgebleven en aan het stedelijk bestuur betaald worden ten bedrage van 3,50 gulden.
Weldra ontstond de noodzaak om te zorgen voor het onderwijs van de kinderen van hen, die in de nabijheid van ’t klooster woonden en voor hunne geestelijke behoeften.
Het onderwijs, toen geheel kerkelijk, werd eerst gegeven in een der localen van het klooster, in lateren tijd in een locaal aan den Oostersingel ongeveer aan den zuidwesthoek van den Stationsweg.
Daarna een tijdlang in de stadsschuur op de opslagplaats aan de Vaart, welke schuur in 1819 werd verkocht, terwijl in hetzelfde jaar de nieuwe school aan den Noordersingel werd voltooid
In 1723 en 1724 werden in het kloostergebouw de statenzaal. ’t collegie genoemd, en de statengang aanmerkelijk verbeterd, als ook de kamer voor den landschrijver en voor den secretaris en zulks voor eene som van 20.000 gulden.
Twee omstandigheden waren er, die aan Assen groote ontwikkeling gaven.
De vaart van vroeger, een uitzending van RTV-Drenthe; 19 november 2009
De Vaart van vroeger is een serie korte tv-progamma's, waarin herinneringen worden opgehaald aan de tijd dat de Drentse Hoofdvaart een drukke scheepvaartroute was. De serie begint aan de Kolk in Assen. Conservator Wicher Kerkmeijer van het Noordelijk Scheepvaartmuseum vertelt hoe het laatste deel van de Hoofdvaart in 1780 tot stand kwam en hoe de scheepvaart levendige bedrijvigheid naar de provinciehoofdstad bracht
Zie hier de documentaire
Gratama vertelt verder...
De eerste omstandigheid voor de ontwikkeling van Assen:
Op den 7 October 1780 kwam de vaart van Meppel over de Smilde tot Assen, na tien jaren werkens, gereed en werd met vele plegtigheid die omstandigheid gevierd, waarvan in de “Nederlandsche jaarboeken” verslag werd gegeven.
Dit gaf groote verandering en bragt er veel toe bij om Assen uit zijn staat van afzondering op te heffen.
De kolk, toen haven genaamd, kwam aan het eind van het laatste regte gedeelte der vaart dat op den toren aanliep.
Ten oosten van de kolk werd eene marktplaats gemaakt waarvan een deel het later opgehevene veermansbrinkje was.
Die markt eindigde tegen den Beilerweg, waarop uit Assen uitliep eene smalle straat of steeg (het was een steeg evenals de Weijersgang) toen, later genoemd de Havenstraat welke den 7 September 1782 aan de noordzijde aanmerkelijk werd verbreed
De tweede omstandigheid voor de ontwikkeling van Assen:
Bij decreet van 13 maart 1809 heeft Koning Lodewijk Napoleon bepaald, dat de gemeente Assen voortaan titel en rang van stad zoude hebben.
De Koning heeft den Architekt Giudici belast een plan tot aanbouwing der stad Assen, gerekend op eene bevolking van 6000 inwoners, te maken, ten einde alle aanbouw, die bij vervolg geschiedt, op hetzelfde plan en met hetzelfde oogmerk verrigt worde.
De openlijke schatkist, op dit oogenblik, deze stad niet kunnende te hulp komen, heeft Z. M., uit hare bijzondere kas, aan dezelve de noodige som geschonken, tot den aanbouw der huizen, die twaalf tot vijftien huishoudingen, welke zich aldaar in Bloeimaand zullen nederzetten, noodig zullen hebben.
Hiervan waren de aanbouw van de Nieuwe Huizen, om den andere inpringende, de vereeniging daarvan met den Brink en de Torenlaan het gevolg, alles naar ’t plan van Giudici, een Italiaansche bouwmeester te Rotterdam.
Het decreet van de Keizer
Na de inlijving in Frankrijk kwam Drente bij het departement van de Westereems; de prefect vroeg bij brief van 29 januari 1811 no. 15 één ontwerp-verdeeling van ’t voormalig Drenthe (toen arrondissement Assen) in burgelijke gemeenten (cummunes); dat ontwerp werd door den onderprefect den 25 Februari ingediend; er werd voorgesteld om Assen, Anreep, Loon, Peeloo, Steendijk, Vredeveld en Witten te vereenigen tot eene gemeente, Assen genaamd, ‘t geen de Keizer bij decreet gegeven te Rambouillet den 19 Mei 1811 aldus bepaalde.
Wat het kerkelijke betreft, onttrokken Peeloo, Loon, Amelte, Vredeveld, ter Aardscheveld, Schieven en Anreep zich aan de uitvoering, welke eerst bij besluit van de synodale commissie der Ned. Hervormde kerk namens de synode van 30 November 1874 definitief kerkelijk bij Assen zijn gekomen
Nog eenige bijzonderheden over den aanleg van Assen:
Het klooster was door eene gracht omgeven, in verband gebragt met een klein stroompje, uitmondende in het Duurser- of Anreeperdiep; aan de westzijde is die gracht voor den huisbouw verdwenen, in de vroegere steeg, later Vaartstraat was een brugje daarover.
Men heeft nog langen tijd in den tuin van den heer Smidt een stuk van het westelijke deel dier gracht, op de Torenlaan, aanloopende, kunnen zien; aan de noordzijde is thans die singelgracht grootendeels overwelfd.
De hoofdtoegang tot den Brink was door de steeg, later Haven- of Vaartstraat, en de Kruisstraat voorlangs en ter zijde van het huis van den heer Stuart.
De Hanebijtersgang, thans Mulderstraat, liep dood.
De weg voor het Paleis van Justitie was er niet; ze werd gemaakt tegelijk met de Nieuwe Huizen in of kort na 1809.
Vroeger was het kerkhof op de binnenplaats van het klooster
Waar nu het Paleis van Justitie (ingewijd 20 Mei 1840) is, was het kerkhof en voor aan den Brink de zoogenaamde landschapsschuren, waarin de brandspuit.
Het huis van arrest, in gebruik gesteld in 1844, staat gedeeltelijk op dat kerkhof en gedeeltelijk op een landschapstuin.
Het huis, nu meisjes-school achter het Stadhuis, was een landschapshuis van den ontvanger en ten noorden daarnaast, nu het huis van den heer Tetrode, was het klerkshuis, insgelijks van de Landschap.

Vroeger was het kerkhof op de binnenplaats van het klooster; later ten noorden van het Stadhuis (vroeger kerk) en nog later ten noorden van ’s Landschaps schuren.
In 1822 werd het kerkhof in het Bosch aangelegd.
Ten Noorden van de vaart is nog een 'tigchelkamp'
De steen voor het klooster is volgens overlevering gedeeltelijk gebakken op het veld tusschen Assen en Peeloo oostzijde van den straatweg, ongeveer in het midden.Voor eenige jaren werd die plaats door meester Klooster aangemaakt en waren toen de overblijfselen duidelijk zigtbaar.
Ook is er ten noorden van de vaart nog een “tigchelkamp”.
Piccardt vermeldt dat er steen voor het klooster met wagens uit Groningen en Bentheim is gehaald.
Midden op den Brink stond een landschapshuis met ijzeren hekken verbonden met het oude kloostergebouw, ook voor ’s lands dienst gebruikt, vroeger welligt de woning van den priester.
Men klaagde over vocht
Ik heb het als kind zien afbreken, het werd toen de mairie genoemd, omdat het in den Franschen tijd diende als gebouw door den maire en zijn bestuur.
Bij die afbraak werd gezegd dat midden op den Brink een deftig stadhuis zou verrijzen.
In ’t laatst der vorige eeuw waren de Singels van het klooster en de Brink met zwaar eikenhout bezet, zoodat men daardoor in het collegie (het gedeelte van het kloostergebouw door het bestuur ingenomen) over vocht klaagde.
Het hotel van den Commissaris des Konings in 1776 voltooid en door den Drost betrokken was onder ’t bestuur van Secretaris Ellents (in plaats van het oude Drostenhuis, dat waarschijnlijk in ’t begin der 17e eeuw in den zuidwest hoek van ’t klooster daartoe was ingerigt) gebouwd door A. M. Sorg, stadsarchitect te Kampen, die ook de Smilderkerk timmerde en zijn timmerwinkel had in het huis aan de Markt; nu door Mr. M. Oldenhuis Gratama bewoond op den hoek van Vaartstraat en Alteveerscheweg.
Hij stond later voor den Etstoel teregt beschuldigd van het zich toe-eigenen van ’s lands materialen, maar werd vrij gepleit door Mr. P. Hofstede
De kanonnen zijn door de Franschen meegenomen
De Kloosterstraat bestond en was door eene houten brug met den Singel vereenigd.
De Drostenlaan was aanwezig, maar vroeger niet met eene brug aan den Singel verbonden, ’t geen eerst in 1809 of om dien tijd gebeurde.
Voor het hotel van den Commissaris op het pleintje ten oosten van de sociëteit stonden 2 sierlijke kanonnen, die de Franschen hebben meegenomen, maar die nog in Holland moeten aanwezig zijn, zooals de heer Victor De Stuers mij eens heeft gezegd.
De sociëteit en de stalling vormden de schathuizen invoege gebruikelijk bij den bouw van eene ouder Ridderhofstad.
Waar nu het post- en telegraafkantoor is was eene landschapsschuur.

Voerlieden uit Groningen moesten het lage terrein ophogen
De Torenlaan was er niet, ze is voor rijksrekening in 1809 en 1810 naar ’t plan van Giudici gemaakt ter verbinding van den Beilerweg en van de Groote laan van het Bosch die op den toren aanliep, met den Brink.
De grond werd van de familie Tabingh en anderen gekocht.
Voerlieden uit Groningen werden ontboden om het lage terrein op te hoogen.
Het schijnt dat men er vroeger niet veel werk van maakte om den Brink gemakkelijk toegankelijk te maken, zoals trouwens met meer Brinken in Drenthe het geval was.
Ze had alleen communicatie in de Kruisstraat en aan ’t eind van de Ooster- of Kloosterstraat over een houten brug met den Singel.
In 1809 werden steenen bruggen over de singelgracht gemaakt aan ’t eind der Kloosterstraat in de verbinding van den Brink met de Nieuwe Huizen en aan het einde van de Kruisstraat.
De Groningenweg was een spikkenweg
De Singel kreeg eerst meer verbinding door de verbreeding van ’t Vredeveldsche pad in 1856 (bestraat in 1869) en door de Javastraat in 1870 (bestraat in 1880).
De eenige communicatie van ’t zuiden naar ’t noorden door Assen was langs den Beilerweg door de steeg, nu Vaartstraat, over de Kruisstraat, waarbij het houten brugje over de singelgracht tol werd geheven, door den Jordaan en den Groningerweg, ’t geen een spikkenweg (Jordaan) was en zoo regtuit naar Rolde en linksom naar Peeloo en verder naar Groningen.
In den zuidoostelijken hoek van het klooster was ’s landschapscareer of gevangenis, waar ook de capitein geweldiger, die de kerspelsoldaten (nu veldwachters) commandeerde, woonde.

De huizen op de galgenkamp waren niet gewild
Daarnaast ten westen tot aan het Drostenhuis waren vertrekken om de gevangenen te verhooren.
De galgenkamp was aan den noorwestelijken hoek van de Kloekerslaan aan den Groningerweg.
Het is opmerkelijk dat eerst de huisplaatsen op den galgenkamp niet gewild waren totdat de ouder Straatman op dien hoek goedkoop eene huisplaats kocht; hij woonde toen buiten Assen en zette op zijn huis “het buitenleven is mijn genoegen” en nu is alles ingesloten.
Het gemeentehuis was eerst, zooals gezegd, in het kloostergebouw, daarna in het huis dat midden op den Brink heeft gestaan en door mij als ‘de mairie’ is beschreven, later in de Nieuwe Huizen ter plaatse waar nu kassier Mennega woont, daarna in de Stadsherberg, zijnde het huis thans dienende voor kazerne en nu in de tot Stadhuis verbouwde kerk der Hervormden.
Het aantal Joodse gezinnen werd op drie bepaald
Bij resolutie van Drost en Gedeputeerden van 24 Mei 1776 werd aan Salomon Israëls als Israëlitisch gezin toegestaan om in Assen te wonen en bij resolutie van 31 Januari 1778 werd voor hem een kerkhof aangewezen in den Twijfel (nu nog Twijfelveld), zijnde bij resolutie van 20 November 1782 het aantal Joodsche gezinnen voor iedere gemeente in Drenthe op drie bepaalde.
De Israëlieten hadden eerst hunne kerk aan de Jordaan tegenover het huis van Levie, later ten noorden van de Groninger straat; in 1832 werd de nieuwe kerk in gebruik gesteld, waarvan onder het afdrukken dezes het 50jarig feest gevierd wordt.
|