In en om Assen





Het Wilhelminaziekenhuis in de Tweede Wereldoorlog


Bronvermelding:
'Het Wilhelminaziekenhuis in de Tweede Wereldoorlog'; een artikel van A.J.A. Mook - Molewijk uit 1995


Een examengroep in oorlogstijd, met allemaal zusters van het Wilhelmina Ziekenhuis. Geheel links zuster Keur. De drie heren zijn van links naar rechts dokter Kainama, dokter Mook en dokter Verboom (collectie Mw. A.J.A. Mook - Molewijk, Assen)


Verklaring inzake afstamming van joodse afkomst


In 1939 had het Wilheimina Ziekenhuis 135 bedden en zo'n 70 personeelsleden. De geneesheerdirecteur was P. Heeres, die tevens in het ziekenhuis als internist werkte. Andere specialisten, die hun praktijk vrijwel volledig in het Wilhelmina Ziekenhuis uitoefenden, waren T. Bast, chirurg, die ook vrouwenarts was, en C. Verboom, kinderarts. Daarnaast waren er specialisten, zoals K.N.O.-arts, oogarts en huidarts, die uit Groningen kwamen. Ze hielden in Assen 1 of 2 keer per week spreekuur. De zenuwarts, die spreekuur hield in het ziekenhuis, kwam uit Beileroord. Heeres werd m.i.v. 1 september 1939 geneesheer-directeur van het St. Elisabethgasthuis in Haarlem. Tot zijn opvolger werd benoemd dr. H.W. Mook uit Groningen, die op 15 augustus in dienst trad. Hij was internist en nam de praktijk van Heeres over. Zuster Ybes, de adjunct-directrice (zoals een directrice genoemd werd) vertrok op 1 januari 1940 ook naar het St. Elisabethgasthuis. Tot haar opvolgster werd benoemd zuster P.A. Keur uit Leiden, die haar werk op 1 februari 1940 begon. Zo begonnen een nieuwe directeur en directrice hun werk bij het uitbreken Van de Tweede Wereldoorlog.

In oktober 1939 werd, op verzoek van de afdeling Assen van het Rode Kruis, begonnen met de opleiding van Rode Kruis helpsters, waarvoor zich 49 deelneemsters aanmeldden. In de oktobervergadering van het bestuur van het ziekenhuis werd gesproken over luchtbeschermingsmaatregelen, zoals bescherming van de vleugel van het ziekenhuis met pakken stro en 2 schuilkelders voor het personeel. Maar het bestuur voelde er niet veel voor en de directeur zei dat men in Groningen ook niets deed.

Bij de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 ging bijna de helft van de patiënten op vrijwillige basis naar huis. Na enige dagen kwamen de meesten weer terug. In de bestuursvergadering van mei werd een bezuinigingscommissie ingesteld o.l.v. de penningmeester Van Staveren, met als tweede bestuurslid mevr. Van der Linde van Sprankhuizen en verder de directeur en directrice. In augustus brachten ze rapport uit. Er werden o.a. 3 stoompannen gekocht, wat een grote bezuiniging op gas betekende. Op de koffie werd bezuinigd door bereiding daarvan met koffie-extract Verder werd de tuin voor een groot deel tot moestuin bestemd. In plaats van stoffen werden papieren verduisteringsgordijnen aangeschaft. In de bestuursvergadering van augustus 1940 werd als bestuurslid namens de gemeente benoemd de heer Bothenius Loman, burgemeester van Assen. Als opvolger van de KNO-arts Jonkhoff uit Groningen begon KNO-arts Brinkman zijn praktijk, hij woonde in Assen en deed hier volledig praktijk.

In de bestuursvergadering van november 1940 was er een schrijven van het gemeentebestuur over afgifte van verklaringen door het personeel inzake afstamming van joodse afkomst en een schrijven over afgifte van verklaringen inzake het zich onthouden van handelingen tegen de Duitse Wehrmacht Deze verklaring moest door nieuw aan te stellen personeel worden afgelegd. Beide verklaringen werden 'ten gebruik aan de geneesheer-directeur gegeven', maar het is vrijwel zeker, dat ze niet gebruikt zijn. Bij sollicitatiegesprekken trachtte de directeur wel terloops te vragen naar lidmaatschappen van bijv. jeugdverenigingen, om te proberen te voorkomen, dat er NSB'ers in dienst kwamen. In december 1940 kwam in de bestuursvergadering een schrijven aan de orde van het hoofdbestuur van de Vereniging Winterhulp, met de vraag, of voor dit werk hulp kon worden geboden. Dit werd voor kennisgeving aangenomen. In de bestuursvergadering van mei 1941 was er een bericht over het in dienst houden van joods personeel en dit werd ter afdoening in handen gesteld van de directeur. In de volgende vergadering deelde hij mee, dat de heer Mathijssen sinds enige tijd niet meer in het ziekenhuis masseerde en dat in overleg met hem het contact werd opgezegd.

Op de vergadering van 6 november lag er het bevel, dat de naam Wilhelmina-ziekenhuis wijziging moest ondergaan. De voorzitter stelde voor 'totdat hierin weer wijziging kan worden gebracht', het woord Wilhelmina op de officiële stukken weg te laten en te spreken van: het ziekenhuis te Assen. De naam 'Wilhelmina' werd van de gevel van het ziekenhuis verwijderd.


Bekijk hier de beelden van het Wilhelmina Ziekenhuis tijdens de jaren 1940 - 1945 (zonder geluid!)


Bast zat in het verzet tegen de Duitsers en moest in april 1942 onderduiken


De bezetting van het ziekenhuis met patiënten was voortdurend hoog in 1941. Onder de patiënten, die werden opgenomen in de oorlog, waren ook gewonden door beschietingen. Dagverblijven als zodanig waren er niet meer, daar ze in gebruik werden genomen als ziekenzalen; sommige badkamers werden als isoleervertrekken ingericht Vooral op de kinderafdeling was groot plaatsgebrek. In de tijd van Heeres was al over verbouwing en uitbreiding van het ziekenhuis gesproken; in 1941 en begin 1942 kwam dit nog ter sprake op bestuursvergaderingen en werd zelfs contact opgenomen met het architectenbureau Van der Linde in Amsterdam. Er kwamen tekeningen van dit bureau ter tafel, maar men begreep toen wel, dat dit pas na de oorlog zou kunnen gebeuren. Behalve de specialisten werkten in het ziekenhuis assistentartsen, die Bast en Mook in dienst hadden om hen te helpen en dat was nu zeker wel nodig.

In 1942 bedacht zuster Keur om een paar varkens aan te schaffen en in een hok achter in de tuin onder te brengen. Ze werden vet gemest met afval van het ziekenhuis, zodat men op geregelde tijden een flinke hoeveelheid vlees had. Ook ging zuster Keur er wel op uit om etenswaren, en soms koffie, te halen 'voor die arme patiënten'. Ze wist zo vaak weer wat los te krijgen. Mook vroeg haar niet, hoe en waar ze dat klaar speelde. Ze vroeg hem eens om een koffer, om daarin weer wat te halen. Deze kwam zo vol terug, dat die daarna niet meer goed dicht wilde. Zo wist ze patiënten en personeel van voldoende voeding te voorzien.

Er kwam ook schaarste aan verplegingsartikelen en medicamenten. Het gebeurde daardoor wel, dat patiënten moesten worden geweigerd. Later in de oorlog kwamen er soms medicijnen uit Zweden, o.a. insuline. Apotheker Karsten zorgde gedurende de hele oorlog voor infuusvloeistoffen en voor ampullen met medicijnen, verwant met opiaten, en zorgde ook zo veel mogelijk voor andere medicijnen. Het steriliseren van de infuusvloeistof deed hij in weckketels op een turfvuur buiten bij de apotheek. Voor de oorlog kreeg het ziekenhuis rechtstreeks medicijnen van farmaceutische firma's en dat gebeurde nu ook nog wel.

Bast zat in het verzet tegen de Duitsers en moest in april 1942 onderduiken. Zijn poging om in Zwitserland te komen, mislukte. Hij kreeg tuberculose, waarvoor hij bij zijn huis in Rolde kuurde. In zijn plaats kwam in het ziekenhuis de chirurg De Ronde en later Kainama, die tot september 1945 bleef. In april 1944 lukte het Bast om weer in het ziekenhuis te gaan werken. In 1942 begon de deportatie van de joden. Eerst werden de mannen in werkkampen tewerkgesteld. Zo was er ook in Hijkersmilde een werkkamp. Eén van hen werd via de Smildeger huisarts Freeve in het ziekenhuis opgenomen. Toen tijdens zijn opname alle joden uit de werkkampen naar Westerbork gebracht, kon deze patiënt dankzij een bevriende rechercheur uit het ziekenhuis ontsnappen. Na de oorlog kwam hij zijn in het ziekenhuis achtergelaten tas halen...

Ook de leden van de grote joodse gemeenschap in Assen werden in oktober naar Westerbork gebracht. Degenen, die als patiënt in het ziekenhuis lagen, probeerde men daar zo lang mogelijk te houden, ook als ze niet meer ziek waren. Drie van hen lukte het vanuit het ziekenhuis onder te duiken. Mozes Boekbinder, Meinhard Gans en Ido Wolf. Eén van hen vroeg eerst Mook dringend te spreken, omdat hij niet wilde, dat hem daardoor wat zou overkomen. Het antwoord van Mook was: 'Het is hier geen gevangenis; ieder kan hier in- en uitgaan, wanneer hij dat wil'. Karei Nathans, die in het ziekenhuis was opgenomen, werd door zijn ouders daar opgehaald om mee naar Westerbork te gaan. Mook vond, dat dat om zijn toestand niet kon. Toen hij er over belde met kampcommandant Gemmeker in Westerbork, zei deze, dat ze daar ook een goed ziekenhuis hadden.


In de zeer strenge winter van 1942 organiseerde zuster Keur een arresleetocht door het Asserbos voor tbc-patiënten. Hier vertrekt de slee vanaf het ziekenhuisterrein (collectie Mw. A.J.A. Mook - Molewijk, Assen)


De instructie van Seyss-Inquart en de Artsenkamer

1943 werd ook weer een bewogen jaar. Verboom werd, rijdend in zijn auto, door een Engels vliegtuig beschoten. Zijn rechterarm werd geraakt en hierdoor kon hij ruim een jaar zijn praktijk niet uitoefenen. Er kwamen assistent-artsen uit de kinderkliniek van het academisch ziekenhuis te Groningen om kinderen in het ziekenhuis in Assen te behandelen. Door maatregelen van de Duitsers werd geleidelijk een algemener verzet opgeroepea In het voorjaar 1943 weigerde 85 procent van de studenten een loyaliteitsverklaring te tekenen; de meesten doken onder, de universiteiten werden gesloten. Eind april moesten de leden van het voormalige Nederlandse leger zich melden om weer in krijgsgevangenschap te worden genomen. Dit leidde tot de april-meistakingen, die vooral in het noorden van ons land vrij algemeen waren. De Duitsers traden hard op en er werden mensen neergeschoten.

In 1941 was onder de naam Medisch Contact een goede georganiseerde haard van artsenverzet ontstaan van waaruit geregeld berichten naar de artsen werden verzonden via vertrouwensmannen en koeriers. Zo werd o.a. gewaarschuwd tegen aanslagen op de Volksgezondheid en medische ethiek door de machthebbers. In december 1941 werd de Artsenkamer opgericht, met aan het hoofd de NSB-arts Croin. Alle ziekenfondsartsen (en dat waren de meeste artsen) werden er automatisch lid van gemaakt. Het 'centrum' adviseerde zich hierbij neer te leggen, maar er geen enkele actieve medewerking aan te verlenen. In september 1942 moesten toch alle artsen door middel van een hun toegezonden formulier zich aanmelden bij de Artsenkamer, waarbij zij dan het hun opgedrongen lidmaatschap officieel hadden erkend. Medisch Contact liet weten, dit niet te doen en hieraan werd op grote schaal gehoor gegeven (van de 5600 artsen vulden 750 het formulier in).

In februari 1943 vroeg Croin hen nogmaals zich te melden; slechts weinigen lieten zich hierdoor intimideren. Medisch Contact bedacht een juridische constructie waardoor men formeel niets met de Artsenkamer te maken zou hebben. Als oplossing daarvoor vond men om afstand te doen van de bevoegdheid tot uitoefening van het beroep arts, waardoor ook het recht om de titel 'arts' te voeren verviel. Tot het uitoefenen van 'beroepsdaden' bleven ze gerechtigd op grond van de door hen afgelegde examens. Op 25 maart was op de gevels van de artsenpraktijken de aanduiding 'arts' op hun bordjes overgeplakt De bevolking vond het prachtig, al begrepen ze niet precies wat er achter zat. Seyss-Inquart beschouwde het eerst als een zuiver Nederlandse aangelegenheid, maar later kon hij het toch niet over zijn kant laten gaan. Op 1 april was de demonstratie beëindigd op consigne van Medisch Contact; de bezetter leek niet van plan de Artsenkamer de hand boven het hoofd te houden. Maar na de meistakingen wilde Seyss-Inquart de artsen en personeel in overheidsdienst harder aanpakken.

Hij vaardigde een verordening uit, die de Artsenkamer de gelegenheid bood de touwtjes weer in handen te nemen, en bij staking of vermindering van arbeidsprestatie kon men zwaar gestraft worden. Medisch Contact meende, dat de Nederlandse artsen duidelijk hun stem moesten verheffen en stelde een brief op aan Seyss-Inquart, die gericht was tegen de instructie van Seyss-Inquart en de Artsenkamer. Deze brief moest door iedere arts getekend en verstuurd worden op een nader te bepalen tijdstip. Maar enkele artsen zagen dit laatste over het hoofd en verstuurden de brief midden juni. Seyss-Inquart nam het hoog op, de artsen, die de brief verzonden hadden, werden gearresteerd. Nu moesten in opdracht van Medisch Contact alle artsen de brief versturen, maar niet alle artsen werden bereikt en sommigen vonden het te gevaarlijk. Seyss-Inquart ontving 3500 brieven. Er werden zo'n 400 artsen gearresteerd en naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht, vele artsen doken onder.

Mook en zijn assistent De Groot werden op zaterdag 26 juni in het ziekenhuis gearresteerd en naar het Huis van Bewaring in Assen gebracht; op 29 juni werden ze per trein naar Amersfoort vervoerd. Op de bestuursvergadering van 30 juni vertelde de voorzitter, wat gedaan was om Mook en zijn assistent vrij te krijgen. Hij heeft enige hoop, dat het zal gelukken ten aanzien van dr. Mook, omdat een internist aan een ziekenhuis als het onze niet gemist kan worden, zonder dat hieruit nadelen voor de patiënten ontstaan. Vervanging is om meerdere redenen niet mogelijk. Dr. Drukker uit Appelscha zal worden gevraagd voor spoedgevallen te willen helpen en dr. Wielinga is gevraagd een oogje in het zeil te houden bij de patiënten van dr. Mook. Verder vertelde de voorzitter, dat zuster Keur die dag naar Amersfoort was vertrokken; ze wilde proberen om Mook vrij te krijgen, maar hoewel haar altijd veel lukte, kreeg ze dit niet voor elkaar. De artsen in het kamp Amersfoort werden kaalgeschoren, kregen kampkleding en klompen en moesten op appèl staan, maar werden verder redelijk behandeld.


Een arresleetocht voor de tuberculosepatiënten


Op medisch gebied ontstond in ons land een chaotische situatie, de medische verzorging dreigde in het ongerede te raken. Dit gaf ook bij de Duitse Wehrmacht aanleiding tot bezorgdheid. Toen in deze gespannen situatie het 'Centrum' berichten bereikten, dat de Duitsers tot een compromis wilden komen, probeerde men daar door een tussenpersoon op in te gaan. Als oplossing vond men een schriftelijk excuus aan Seyss-Inquart, waarin stond, dat het niet de bedoeling was geweest om hem te beledigen. Alle artsen die deze brief zouden verzenden zouden met rust gelaten worden. De Sicherheitspolizei zou hen wel een waarschuwing geven en een boete van ƒ50.- opleggen. Dit gold ook voor de gearresteerde artsen. Het Centrum van Medisch Contact adviseerde dit te doen en zo werden de gevangen artsen geleidelijk vrij gelaten, de laatsten pas in augustus. Mook kwam op 7 juli weer thuis en ging de volgende dag weer aan het werk in het ziekenhuis.

Op de bestuursvergadering van 1 juni werd meegedeeld, dat Bothenius Loman bericht had gestuurd, dat hij geen bestuursfuncties meer mocht vervullen (als burgemeester was hij al begin 1941 afgezet). Op de vergadering van 30 juni werd aangekondigd, dat het gemeentdbestuur in kennis zou worden gesteld van het aftreden van Bothenius Loman en de heer de Jong (die ook namens de gemeente in het bestuur zat). Ondanks dit alles werd geprobeerd het leven zoveel mogelijk gewoon door te laten gaan, zoals o.a. de opleiding en examens van verpleegsters. Het personeel probeerde het werk zo goed mogelijk te doen (voor toen nog lage lonen). Maar de sfeer en onderlinge gezelligheid bleef goed en daartoe droegen bij de feestjes, die zuster Keur, met of zonder aanleiding, organiseerde. Daar was zij sterk in, bijv. na eindexamens van verpleegsters. Ze wist dan voor de geslaagde zusters nog wel een diner met iets extra's voor elkaar te krijgen. Ook werd Sinterklaas altijd gevierd en was er een Kerstdiner.

Tijdens één van de strenge winters in de oorlog, in 1942, kwam zuster Keur op het idee, om een arresleetocht te organiseren voor de tuberculosepatiënten in het ziekenhuis. Ze had in het sanatorium in Davos gewerkt, waar dat wel werd gedaan. Zo maakten de tuberculosepatiënten in 1942 een arresleetocht door het Asser bos. Onder de patiënten, die werden opgenomen, waren ook Duitsers, die door Duitse artsen werden ingestuurd. Op de inteme afdeling lagen ze in een serre, hogere Duitsers lagen op de klasseafdeling en zij kregen pakken voedsel. Ze werden goed behandeld, maar men was wel afstandelijk in het contact met hen. Toen een officier overleed, moest hij door 2 verpleegsters in uniform en met het hakenkruis op zijn borst worden afgelegd. Op de bestuursvergadering van december 1943 memoreerde de voorzitter de aanwezigheid van twee nieuwe leden, namelijk de heren Boelems (de NSB-burgemeester van Assen) en Lebbe (ook een NSB'er). Daarna was er tijdens de oorlog nog maar 1 keer een bestuursvergadering, op 29 maart 1944, toen er financiële kwesties en salarissen werden besproken.

In 1944 werd de toestand in het ziekenhuis nog moeilijker, vooral vanaf september na Dolle Dinsdag. Die dagen was er de opname van een patiënt die nogal wat zorg gaf. Hij was één van de jongemannen, die in Vledder in het kamp van de Nederlandsche Arbeidsdienst te werk waren gesteld. Enige van de mannen in dit kamp kwamen in contact met een verzetsgroep, die hen wilde helpen onder te duiken. Sommige jongens voelden daar wel voor. In de nacht van 7 op 8 september 1944 pleegde de verzetsgroep een overval op het kamp van de Arbeidsdienst en wie wilde onderduiken kon met hen meegaan: 18 jongens deden dat Ze werden in 2 groepen gesplitst en tijdelijk ondergebracht in schuilhutten in de bossen bij Vledder en Wateren.


Op last van de bezetter werd eind 1941 het woord 'Wilhelmina' van de gevel verwijderd (collectie Mw. A.J.A. Mook - Molewijk, Assen)


Organisatie Todt


Op de ochtend van 8 september kwam de Sicherheitspolizei uit Assen met 2 Asser politiemannen en vond de schuilplaats bij Wateren. De mannen werden er uitgehaald en mishandeld door de Asser politie. Daarna werden ze neergeschoten. Eén van hen, Roeland IJsselstein uit Gouda, 18 jaar oud, was echter niet dood. Toen hij bij bewustzijn kwam, wist hij overeind te komen en liep hij naar een boerderij bij Wateren. Hij had een schotwond in zijn linker schouder. De boer waarschuwde de huisarts in Appelscha, die de gewonde jongeman per ambulance naar het ziekenhuis in Assen liet brengen. Daar werd de wond in eerste instantie behandeld door een assistent, die daarna uit angst onderdook.

Roeland werd verder in het ziekenhuis verzorgd, maar hij had de neiging met anderen over het gebeurde te praten, wat natuurlijk gevaarlijk was. Men bracht hem daarom onder bij de wijkverpleegster zuster Bos, die tegenover het ziekenhuis woonde. Toen hij een wondinfectie kreeg, moest hij weer in het ziekenhuis worden opgenomen. Er was toen juist een trein beschoten, zodat hij onder het mom van gewonde van de beschieting weer werd opgenomen. Een poosje later kon hij naar Gouda gebracht worden door een vertegenwoordiger van een farmaceutische industrie uit het westen, die toen nog juist met zijn auto de IJssel over kon. In het ziekenhuis was men opgelucht over zijn vertrek.

In oktober 1944 werden in verschillende plaatsen in het land alle mannen van 17 tot 50 jaar opgeroepen om voor de OT (Organisatie Todt) te werken. De OT vestigde een Oberbauleitung in Assen. Veel mannen doken onder. Een paar jongens (nog leerlingen van de middelbare school) kregen een baantje in het ziekenhuis en konden zo een Ausweis krijgen, waardoor ze niet hoefden onder te duiken. In het ziekenhuis kregen ze van zuster Keur opdrachten voor reparaties, moesten de lift met de hand bedienen als de stroom uitviel en ze vervoerden patiënten met de fietsbrancard. Ze hadden daardoor ook toestemming om 's avonds naar buiten te gaan. Ze probeerden zich zo goed mogelijk verdienstelijk te maken. Ze moesten ook wel op de fiets naar Groningen, om er o.a. urine voor onderzoek te brengen naar het bacteriologisch laboratorium. Verder werkte er in het ziekenhuis op het laboratorium een leraar scheikunde, die directeur was van de HBS in Winschoten. Hij was ontslagen en in zijn plaats was een NSB'er benoemd. Hij verbleef in Assen; Mook kende hem en bezorgde hem het baantje op het laboratorium, waardoor ook hij een Ausweis kreeg.


Er werd ook wel eens 'een ziekte bij gefantaseerd'


In oktober werd Port Natal gevorderd door de OT om degenen onder te brengen, die in de buurt van Assen moesten spitten. Er was een gewone Arbeitskolonne en een strafkolonne. In november kwamen enkele honderden Texelaars als spitters naar Assen. Er kwamen nu veel meer patiënten voor opname in het ziekenhuis dan te voren; in 1939 waren het 1293, in 1944: 2083, in 1945: 2523. De oorzaken waren de slechtere omstandigheden van voeding en hygiëne en de (gedwongen) toename van de bevolking. Uit Limburg kwamen evacué's, op doorreis naar noordelijke gedeelten van ons land, door Assen. De kinderen hiervan werden voor een groot gedeelte 's nachts in het ziekenhuis opgenomen en verzorgd. De arbeiders uit Texel, die op een erg onhygiënische manier waren ondergebracht in de Dr De Visserschool aan de Oosterhoutstraat, kwamen bij toerbeurt in het ziekenhuis om te baden en eventueel voor schurft behandeld te worden of te worden ontluisd. Apotheker Karsten maakte de schurftzalf op een potkachel in de tuin achter zijn apotheek.

Tot overmaat van ramp brak er een difterie-epidemie uit. De barak voor besmettelijke ziekten op het ziekenhuisterrein was te klein en er moest geïmproviseerd worden om het aantal bedden uit te breiden. Zo werd de Gereformeerde school aan de Schoolstraat voor de difteriepatiënten in gebruik genomen en werd de kleuterschool dicht bij het ziekenhuis als noodbarak ingericht. Difterieserum was moeilijk te krijgen, het werd alleen voor de ernstigste patiënten gebruikt. Onder de kinderen met difterie was er ook wel eens een Duits kind. Door de bombardementen op Bremen waren uit die stad enige vrouwen en kinderen in Assen gekomen. Het pand Zuidersingel 3, de zgn. Villa, waarin tot dan de Winterhulp had gezeten, werd gehuurd. Er konden daar ±25 patiënten in worden ondergebracht. In totaal was er zo een uitbreiding met ± 100 bedden. De voeding leverde steeds meer moeilijkheden op, al werd men van verschillende kanten geholpen en slaagde zuster Keur er in, nu en dan wat extra's te krijgen. Het lukte om iedereen toch voldoende te eten te geven.

Onder de opgenomen patiënten waren ook OT-arbeiders. Van hen bleven verscheidenen in het ziekenhuis, eigenlijk als onderduikers. Ze bleven als ziek geregistreerd. Op het laboratorium kreeg men wel opdracht om een onderzoek op difterie of tuberculose als positief door te geven. Er werd ook wel eens 'een ziekte bij gefantaseerd'. In de Villa zaten veel van deze patiënten. Van hen kreeg directie, artsen en personeel op 31 december een met potlood geschreven briefje, waarin hen een gelukkig 1945 werd toegewenst en dank werd gebracht voor wat ze voor de OT-patiënten in de Villa hadden gedaan. Zuster Keur en het personeel wisten wel, dat er patiënten waren die eigenlijk onderduikers waren, maar wisten vaak niet, wie dat waren. Sommigen van hen kregen een baantje in het ziekenhuis. Eén van de OT-onderduikers was Everhard van Royen, een bekende fluitist van het Concertgebouw¬orkest. Zijn vrouw was joods en zat in het kamp Westerbork. Zij was klaveciniste. Van Royen werkte in het ziekenhuis als badknecht en hielp bij het ontluizen van patiënten. Met kerstmis zong altijd een zusterkoortje, ook Mook zong dan liederen. Meestal werd hij op de piano begeleid door zijn vrouw. Op kerstmis 1944 werd hij begeleid door zuster Duisterwinkel (hoofd van de tussenklas), die op een verrijdbaar orgeltje speelde, en door Everhard van Royen op zijn fluit


Kaalgeschoren en nog in zijn kampkleding met gevangenisnummer arriveerde Dr. H.W. Mook op 7 juli 1943 vanuit het concentratiekamp te Amersfoort in Assen. De volgende dag ging hij weer aan het werk (collectie Mw. A.J.A. Mook - Molewijk, Assen)


De knokploeg Drenthe


Er werden deze laatste oorlogswinter ook wel hongervluchtelingen opgenomen. Ze waren vaak bij boeren geweest, aten daar voor het eerst weer goed en kregen dan diarree. Het gebeurde, dat ze dan nog net bij het ziekenhuis konden komen en uitgedroogd op de stoep lagen. Als er een gevangene van de Duitsers werd opgenomen, werden ze bewaakt door Duitsers met mitrailleurs en mochten alleen bepaalde verpleegsters hen verzorgen. Freerk Datema, een lid van de knokploeg Drenthe, die mee had gedaan aan de bevrijding van de gevangenen uit het Huis van Bewaring in Assen, werd op 29 december zwaar gewond in het ziekenhuis opgenomen. Hij was bij Rolde door Duitsers aangehouden; nadat hij nog op hen geschoten had, werd hijzelf neergeschoten. Hij zat in het verzet onder de naam Leo. Na opname werd hij geopereerd door Kainama. In en bij de kamer, waar hij daarna werd gebracht, stonden Duitsers met mitrailleurs. De klasse-afdeling moest op bevel van de Duitsers midden in de nacht ontruimd worden; een deel van deze patiënten werd op de gangen ondergebracht.

Omdat Datema in een slechte toestand was, vroeg zuster Keur hem of hij familieleden had, die gewaarschuwd moesten worden, maar hij wilde dat niet en weigerde zijn naam te zeggen. Op 30 december overleed hij. Smallenbroek, een andere gevangene van de Duitsers, werd opgenomen met een wond aan zijn been, waarbij erysipelas (wondroos) was ontstaan. Ook bij hem stond op de kamer en op de gang een Duitser met machinegeweer. Na zo'n twee weken werd hij weer naar het Huis van Bewaring overgebracht, al was de wond nog niet genezen. Aan de zuster, die hem in het ziekenhuis verzorgd had, werd gevraagd iedere dag naar het huis van bewaring te komen voor de wondverzorging. Ze ging er iedere ochtend met een keteltje warm water en verband naar toe, tot hij weer liep. Toen hij later met anderen werd doodgeschoten, was dat voor haar een grote schok. Nog een gebeurtenis, die in het ziekenhuis indruk maakte, was de gevangeneming van KNO-arts Brinkman door de SD in het begin van 1945. Na een verblijf van enige weken in het huis van bewaring werd hij naar een concentratiekamp in Duitsland overgebracht; hij overleed daar aan vlektyfus.

Tegen het eind van de oorlog waren gas en water het grootste deel van de dag afgesloten, 's morgens en 's avonds was er ± 1 uur gas en water, 's Morgens zette men emmers met water in de spoelkeuken om voorraad te hebben voor overdag. Voor verwarming van voedsel werden wel petroleumstellen gebruikt. Sommige patiënten namen hun eigen beddegoed mee. Tegen de tijd, dat de geallieerde legers Assen naderden, werden zoveel mogelijk patiënten ontslagen. Met het oog op eventuele vernielingen werden enkele noodvoorzieningen getroffen: de waterleiding werd aangesloten op een natuurlijke bron op het terrein van Overcingel en bovendien werd er een put gegraven. Op 12 april werd in het ziekenhuis een Duitse verbandplaats ingericht, waarvoor een paar zalen ontruimd moesten worden.


Problemen konden nu in vrijheid worden aangepakt


In de nacht van 12 op 13 april bleven Bast, Mook en zijn toenmalige arts-assistente Nauta in het ziekenhuis. De kinderen waren in de kelder gebracht en voor zover er plaats was, ook volwassenen. Er werden die nacht gewonde Duitsers binnengebracht, die op matrassen werden gelegd, omdat er geen bedden genoeg waren. Toen op de morgen van 13 april de Canadezen Assen binnentrokken, leek het of het hele personeel naar buiten holde, iedereen was blij! De totale uitval van elektriciteit na 13 april werd gedeeltelijk gecompenseerd, doordat de Wandergarage elektrische stroom ging leveren en hiervan een gedeelte aan het ziekenhuis afstond. De letters van het woord 'Wilhelmina'.die in 1941 op de zolder waren opgeborgen, werden weer op de muur gespijkerd.

Op 12 mei organiseerden zuster Keur en Mook een tuinfeest, waaraan ook bevrijders (Canadezen, Engelsen en Nederlanders) deelnamen. In deze tijd na de bevrijding gaven Everhard van Royen en zijn vrouw (die het kamp Westerbork had overleefd) uit dankbaarheid een concert. Op 2 juli was de eerste vergadering van het ziekenhuisbestuur. Bothenius Loman (die weer burgemeester was) en de heer De Jong waren weer in het bestuur. De geneesheer-directeur bracht verslag uit van het door hem gevoerde beleid in de lange periode, dat er geen bestuursvergadering was geweest, o.a. over de huur van 'de Villa' en het in gebruik nemen van de scholen. Ook vertelde hij, dat er in de tijd vóór het einde van de oorlog veel vreemdelingen werk vonden in het ziekenhuis; zieke en niet-zieke OT-werkers vonden emplooi als koerier, badmeester, portier enzovoort. Maar ten tijde van die bestuursvergadering op 2 juli was er een tekort aan personeel. Doch de problemen, die toen kwamen, konden nu in vrijheid worden aangepakt.






© 2006-2009 www.mijn-eigen-website.nl